Naar: 'Geïntegreerd bosbeheer voor reeën' uit vakblad Natuurbeheer nummer 7, 1999 en 'Geïntegreerd bosbeheer en grofwild' van G.W.T.A. Groot Bruinderink, A. T. Kuijters, D. R. Lammertsma, Nederlands bosbouw tijdschrift, 1998, jaargang 69 nr. 2

Het traditionele bosbeheer tot circa 1980, kenmerkt zich door kapvlakten over grote oppervlakten. Deze beheervorm leidt tot versnelde afbraak van organisch bodemmateriaal en stelt de bodem bloot aan uitdroging. Veel voedingsstoffen in een droge bodem met daarop veel licht resulteren in een grootschalige verjonging van pionier houtsoorten zoals grove den, berk en lijsterbes en een weelderige groei van struiken en kruiden. Deze overmaat aan voedselaanbod over grote oppervlakten betekent dat het wild zich daar vanuit de wijde omtrek gaat concentreren; ree, edelhert en wild zwijn houden zich daarom graag op kapvlakten op. In het boek Ancient Woodland van Oliver Rackham wordt proefschrift Metaforen voor de wildernis van Frans Vera wordt dit proces van verjongen als onderdeel van natuurlijke levenscyclus van het landschap beschreven. Zonder beschermen bijvoorbeeld rasteren, lage dichtheden grazers lukt het dan niet om bos te krijgen. Van dit principe wordt gebruik gemaakt om tegenwoordig open terreinen te krijgen. Hoe beïnvloeden wilde hoefdieren het bos- en natuurbeheer?

  • Het voedsel van reeën bestaat vooral uit kruiden, jonge loten, bladeren en knoppen van braam, bosbes, struikheide, eiken en andere loofhoutsoorten. In de wintermaanden zijn blauwe bosbes, beukennootjes en eikels van belang als mede klimop. Reeën eten nauwelijks gras.
  • Het natuurlijke voedsel van edelherten bestaat uit gras (bochtige smele, breedbladige grassen op wildweiden) blauwe bosbes, bladeren, stengels en knoppen van loofboomsoorten en eikels.'s winters vullen de herten dit aan met naalden van grove den en jonge scheuten van struikheide.
  • Wilde zwijnen eten graag breedbladige grassen, bochtige smele, veel eikels en beukennootjes, wortels van grassen en jonge bomen, wortelstokken van adelaarsvaren's, bosbessen en dierlijk voedsel. In de herfst en winter is het aanbod van eikels en beukennootjes van grote invloed op het voedselpakket.

De invloed van grofwild op de ontwikkelingsmogelijkheden van het bos is het sterkste bij de bosverjonging. Hun belangstelling voor zaden en kiemplanten speelt daarbij een belangrijke rol. Bij het wilde zwijn staan zowel de zaden als de kiemplanten van eik en beuk hoog op de focuslijst. Edelhert en ree hebben naast eikels en beukennootjes ook een sterke voorkeur voor zaailingen en jonge boompjes van soorten als lijsterbes, eik, beuk en zachte berk. Dit verklaart de voorkeur van deze diersoorten voor eiken- en beukenbos en kapvlakten. Op de kapvlakten is zowel de hoeveelheid als kwaliteit van gelijksoortig voedsel hoger dan in het bos. Dit hangt samen met de gunstige lichtinval en een hoger aanbod van voedingsstoffen. Door het grote voedselaanbod gaan grazers als edelherten zich in grote groepen langere tijd op kapvlakten ophouden. Het gevolg is dat de ontwikkeling van jonge loofbomen sterk onder druk komt te staan.

Zonder bescherming van de jonge naald- en loofbomen bijvoorbeeld door een afrastering, verdwijnen deze vrijwel geheel of vormen minder aantrekkelijke en weinig geprefereerde naaldboomsoorten als grove den de volgende generatie bomen. Bovendien blijft het landschap in een pioniersfase. De boomsoorten zelf beschermen zich op twee manieren tegen grote hoefdieren: "vermijden of herstellen van vraat". Naaldbomen als grove den "vermijden vraat", zij bevatten terpenoïden die werken als anti-vraatstoffen; zij worden daardoor minder graag gegeten. Loofboomsoorten daarentegen worden wel graag gegeten, maar hebben de volgende eigenschappen waardoor zij van vraat kunnen herstellen.

  • Hoge groeisnelheid om snel boven de vraatgrens uitkomen, bijvoorbeeld bij pionierssoorten zoals lijsterbes, berk, populier en wilg. Iets dergelijks geldt ook voor douglas. Een dichte verjonging van douglas wordt wel begraasd, maar de toppen van enkele boompjes zullen buiten bereik groeien.
  • Maken van vegetatieve uitlopers, waarbij de buitenste de binnenste kunnen beschermen, zoals dat bij zwarte els, abeel en iep gebeurt,
  • Spreiding in de tijd door bijvoorbeeld een mastjaar; door eens in de zoveel jaar massaal te kiemen is het aanbod aan jonge boompjes tijdelijk groter waardoor de kans op ontsnapping aan vraat toeneemt;
  • Dragen van doornen en stekels.

Wanneer de hoeveelheid vraat deze eigenschappen te niet doet, zal individuele bescherming of een perceelsgewijze afrastering nodig zijn om bomen c.q. bos te krijgen.

Een mogelijkheid is het om na de velling de takken en boomtoppen en al aanwezig dood hout te laten liggen. Kiemplanten kunnen binnen de bescherming van dergelijke "takkenkooien" opgroeien. Ook is het mogelijk om 'beschermende soorten" bijvoorbeeld met doornen te combineren met gewenste soorten. De beschuttende werking van takkenhopen en doornstruiken zijn erg afhankelijk van de dichtheid van de ter plaatse levende planteneters en aanwezige bescherming. Vooral reeën, konijnen en muizen voelen zich nauwelijks belemmerd. Terwijl alle planteneters samen de bramen, meidoorn en sleedoorn zeer kort weten af te vreten. Bomen krijgen en behouden is sterk afhankelijk van de dichtheid aan lokale planteneters.

Geïntegreerd bosbeheer leidt tot meer variatie in de horizontale en verticale structuur en daarmee tot gevarieerde leefomstandigheden voor plant- en diersoorten. Dat is anders, eentonig, bij het kaalkap beheer. Al zal ook in geïntegreerd bosbeheer gezorgd moeten worden dat er licht en lucht in het bos ontstaat voor verjonging. Op de arme zandgronden is kleinschalige gaten creëren in het kronendak goed voor verjonging van het bos door loofboomsoorten als zomereik, wintereik en beuk. De jonge bomen van deze soorten profiteren van het vochtige micro-klimaat op de ,slechts gedeeltelijk aan het zonlicht blootgestelde, bosbodem.

Geïntegreerd loofhoutbosbeheer

Conclusie: Voor duurzaam behoud van het bos faunabeheer essentieel want:

  • rasters binnen leefgebieden verdwijnen zoveel mogelijk om zo groot mogelijk aaneengesloten betere leefgebieden te creëren,
  • de natuurlijk regulatie mechanismen treden bij hogere dichtheden op dan in kapvlakte beheer met rasters,
  • het faunabeheer is nu gericht op natuurlijk mogelijk laten fluctueren van de wildstand
  • het fluctueren van de dichtheden planteneters bestrijkt een veel langere perioden dan het bos overleven kan
  • de invloed op de omgeving van de planteneters en daarop afkomende predatoren lijdttot kostbare maatregelen in het samenleven met deze wilde dieren.

Deze uitgangspunt voor het faunabeheer (Wildlifemanagement maken dat bomen behouden niet kan zonder gebruik te maken van menselijke invloeden als populatiebeheer en of rasters. Hoe minder rasters hoe meer populatiebeheer of minder, oude, bomen.


Door onderzoek en kennisoverdracht kan onderbouwen, concretiseren en verankeren kan bepaald worden hoe (geïntegreerd) bosbeheer in een nader te bepalen gebieden moet worden uitgevoerd zodat het beheer leidt tot een door de beheerder gewenst natuur c.q. functievervulling van het bos, binnen de grenzen van de financiële doelen.

Geïntegreerd bosbeheer kenmerkt zich door stabiliteit van het bos en geleidelijke verandering; het microklimaat van het bos blijft zoveel mogelijk gehandhaafd. Daardoor wordt de voedingstoestand van de bodem en dus ook de productiviteit van de groeiplaats beter behouden. Deze factoren leiden tot een hoger en gelijkmatiger mineralen aanbod dan bij het kaalkapbeheer. Daarbij komt nog dat bij geïntegreerd bosbeheer de beheersmaatregelen op zich weliswaar kleinschalig zijn, maar dat ze om redenen van efficiëntie worden uitgevoerd over grote aaneengesloten oppervlakten. Dit leidt tot een verspreiding van het voedselaanbod over een grote oppervlakte. Hierdoor verspreiden de hoefdieren zich en dus ook de vraat. Bij een gelijkblijvende dichtheid neemt de kans toe dat jonge boompjes de invloed van de dieren overleven. Deze vorm van "risicospreiding" kan eraan bijdragen dat minder uitrasteren tot de mogelijkheden gaat behoren. Hier komt nog bij dat met het ouder worden van op deze manier beheerde bos naast het voedsel ook steeds meer beschutting wordt geboden.

Dit heeft echter ook als gevolg dat de natuurlijke draagkracht voor de aanwezige planteneters toeneemt. Kleinschalige verjonging maakt het bos aantrekkelijker voor “snoepers" als het ree en voor "gemengde eters" als het edelhert. De aanwas van deze soorten zal groter worden. Stijgt echter het aandeel grote grazers neemt de invloed op de verjonging toe, over het hele gebied, bij een (veel) hogere dichtheid. Zonder beheer van de populaties leidt dit tot vlaktes zonder oude bomen. Als voorbeeld dienen de begraasde of niet bejaagde natuurterreinen.

Banner: Velhorst Groot groen