Door:

Reewildring
In de periode rond 1965 werd begonnen met het binnen een bepaald gebied gezamenlijk inventariseren/tellen van reeën. Eerst waren het samenwerkingsverbanden van jachthouders met aaneengesloten jachtvelden en het op elkaar afstemmen van het beheer, zogenaamde reewildringen.

Van de jachthouders in de betreffende gebieden werd veel medewerking verkregen. In Noord-Limburg kwam er samenwerking met de Duitse buurjagers tot stand. Er ontstond daar zelfs een gezamenlijk gebied van circa 15.000 hectare aan weerszijden van de Nederlands-Duitse grens.

Gezien de levenswijze van reeën was, van tevoren, bekend dat het niet mogelijk was om het juiste aantal stuks reeën te inventariseren. Maar wel dat men, door consequent jaar in jaar uit op dezelfde wijze te tellen, een indruk kon krijgen van de totale stand. Een bijkomend gevolg van de samenwerking was dat de jagers en natuurbeheerders elkaar niet meer als concurrent zagen en dat er, door de samenwerking, een bijdrage werd geleverd tegen de stroperij.

Wildbeheereenheid
Veel later, rond 1990, werd het principe verplicht gesteld en werden de samenwerkingsverbanden wildbeheereenheden (WBE's) genoemd. De Flora- en Faunawet heeft nog meer nadruk gelegd op deze samenwerkingsverbanden. Herkend is dat faunabeheer op landelijk niveau niet past bij lokale problematiek daarom vind de uitvoering van de Flora- en faunawet zoveel mogelijk op provinciaal niveau, plaats. Bovendien zijn de samenwerkingsverbanden gedefinieerd als zijnde belangrijke partners bij de voorbereiding en uitvoering van met name faunabeheer. Het hele land bedekkend zijn nu wildbeheereenheden (WBE's) opgericht. Zij bundelen hun kennis en ervaring in beheerplannen. De beheerplannen worden per provincie verwerkt tot faunabeheerplannen. Die faunabeheerplannen zijn gedurende enkele jaren de basis voor het faunabeheer in de betreffende provincie. Onderdeel van dat faunabeheerplan is het reeënbeheerplan. Daarin staat hoe de komende periode met de reeënpopulatie in het gebied wordt omgegaan.

De overheid ziet dus de niet de individuele beheerder, maar de verenigde beheerders als volwaardige partner. Zo worden vergunningen, nodig bij de bestrijding van schade, niet meer aan individuele beheerders verleend, maar aan de WBE, die deze doorgeeft aan de lokale beheerder. Zo ook de afschotvergunningen voor reeën. De WBE draagt dus een grote verantwoordelijkheid voor de in haar gebied levende reeën.

Het werkgebied van een WBE dient bij voorkeur uit aaneengesloten gebieden te bestaan met een oppervlakte van tenminste 5.000 ha. Binnen de WBE heeft iedere jachthouder zijn eigen verantwoordelijkheid, maar samen voeren zij planmatig reeënbeheer uit op basis van een gezamenlijk opgesteld wildbeheerplan. Het reeënbeheer is gericht op het handhaven van een acceptabele reeëndichtheid, waarbij gelet moet worden op de belangen van de verkeersdeelnemers, de landbouw en de natuurbescherming.

De reeënjager
De uitvoering van het beheer van de populatie reeën ligt traditioneel bij jachthouders. Logisch, zij zijn vanuit hun positie als eigenaar en/of jager gedurende vele decennia verantwoordelijk geweest voor een gezonde reeënpopulatie en de daaruit vloeiende gevolgen. Met de komst van de Flora- en faunawet is dat gaan verschuiven. Het is voor het beheer van de populatie reeën namelijk niet meer nodig om het jachtrecht te bezitten. Het volstaat als toestemming van de grondgebruiker(s) is verkregen voor het beheer van de reeën. Daarbij geldt nog wel de 40 Ha. regeling voor gebruik van het geweer. De jagers moeten zijn opgeleid en uitgerust om de uitvoering van het beheer uit te voeren. Een en ander is uitdrukkelijk in de Flora- en faunawet gewaarborgd.

De wijze waarop aspirant jagers betrokken raken is dat zij, over het algemeen, geleidelijk ervaring opbouwen in de nabijheid van ervaren jachthouders. Zo leren zij het beheer deskundig ter hand te nemen. Zij bouwen de noodzakelijke kennis, vaardigheden en ervaring op.