Kenniscentrum Reeën

Als het aantal reeën in een gebied, de dichtheid, zo groot is dat een andere soort zich niet meer kan handhaven dan wordt die soort door de reeën bedreigd. De soort kan dan die hoeveelheid reeën niet verdragen. Andersom kan kunnen de reeën bedreigd worden door andere soorten waaronder de mens. Met name als het eten en herkauwen onmogelijk wordt gemaakt.

Andersom redenerend kunnen we de leefomgeving van reeën waaronder de hoeveelheid reeën waarderen als geschikt voor een te bepalen hoeveelheid reeën, de draagkacht voor reeën. Die draagkracht is bereikt als het aantal reeën in een bepaald gebied hetzelfde blijven doordat de aanwas en sterfte in balans zijn. De maximum dichtheid aan reeën is dan gelijk aan de draagkracht voor reeën.

We kunnen die draagkracht voor reeën van een gebied berekenen. Die berekeningen worden door verschillende verschijnselen beïnvloed. Je kunt denken aan verschijnselen die spelen rond de levensbehoeften als voedsel, rust en dekking maar ook aan invloeden van buiten zoals verjagen of doden. De reeën beïnvloeden in een bepaald stadium ook de reeën zelf. De groei neemt af, de aanwas neemt af en de sterfte neemt toe.

In alle bovenstaande situaties is er sprake van verdragen. Het aantal reeën dat maximaal wordt verdragen of zich kan handhaven. Dat noemen we draagkracht. In plaats van de term draagkracht wordt ook wel de term draaglast gebruikt.

De leefomstandigheden en het aantal reeën bepalen samen het maximum aantal reeën dat in een gebied kan leven. Dit min of meer balanceren tussen de aantallen van een soort en diens omgeving noemen mensen natuurlijk evenwicht. Of de mens en diens activiteiten daar onderdeel van zijn is een voortdurend punt van discussie.

De relatie tussen het aantal reeën die er leven, de leefomstandigheden en de toestand van de reeën is van belang als men de ontwikkeling van de reeënpopulatie wil uitleggen en/of er invloed op uit wil oefenen. De discussie of de mens wel of niet onderdeel uitmaakt van het te bereiken maximum zorgt dat er drie definities zijn.

 Draagkracht  

 Omschrijving 

Economisch
maximum

Is het aantal dat met directe invloed van mensen in onze omgeving wordt bereikt. De aanwas en sterfte worden al dan niet met opzet beïnvloed door mensen. De aanwas en sterfte variëren binnen een beïnvloede variatie.

Ecologisch
maximum

Is het aantal dat wordt bereikt als de reeënpopulatie zich kan ontwikkelen overeenkomstig de door erfelijke aanleg en leefomstandigheden bepaalde mogelijkheden. Waarbij geen directe invloed van mensen is zoals populatiebeheer en verkeer. De aanwas en sterfte balanceren binnen een natuurlijke variatie.

Maximum

Is het aantal waarbij de aanwas en de sterfte sterfte min of meer gelijk zijn en het deze dus gelijk blijft.


De overgang van ecologische naar economische draagkracht is niet duidelijk. Wanneer is bijvoorbeeld het beïnvloeden van leefomstandigheden van het ree zoals rust, natuur? Meer en meer heerst in Nederland de overtuiging dat alleen maximum draagkracht bepalen zinvol is. Toch kan de techniek achter draagkracht bepalen helpen het beheer op een soort af te stemmen en gericht maatregelen te nemen. Daarbij is het wel nodig om het leefgebied volledig mee te nemen.

Grafiek: Logistische groeicurve
Afbeelding: Logistische groeicurve

Als zich ergens een ree vestigt, is het afhankelijk van de omstandigheden of er meer bij komen en er jongen geboren worden. Zodra er jongen geboren worden neemt het aantal snel toe totdat de omstandigheden dit niet meer toestaan. Dit is logistische groei en wordt weergegeven in de logistische groeicurve. De aanwas en de sterfte houden elkaar uiteindelijk dan min of meer in evenwicht.

Is die balans bereikt dan is de draagkracht en een maximum aantal dieren bereikt. Met nadruk op een maximum omdat het werkelijk aantal dieren enorm schommelt rondom de draagkracht. Dat gebeurt door oorzaken als weersomstandigheden, overstroming, strenge winter, predatie en ziekte enzovoorts. Bij zo'n maximum horen ook lange perioden van stabiliteit met af en toe enorme sterfte en dus kleinere aanwas.

Een grootschalige beheermaatregel als afrasteren, begrazen, introduceren van een andere diersoort leiden tot soort afhankelijke afnemende draagkracht en sterfte. We kunnen een overschrijding van de draagkracht voor reeën meten aan de toename van de sterfte, het afnemen van de lichaamsgewichten, de omvang van geweien en het migreren van reeën uit het gebied. Dat laatste kunnen we in ons land meten aan toename van verkeersslachtoffers en veldreeën.

Wil je daar invloed op uitoefenen is het zaak de meest beïnvloedende leef omstandigheid op te sporen. Vaak zijn dit in Nederland recreatie, landbouw, natuurbeheer maatregelen of verkeer. Willen we een soort houden dan is het verstandig de draagkracht voor die soort te bepalen en de hoeveelheid van de soort in de gaten te houden, te monitoren.

In die gebieden waar veel concurrentie is van andere soorten delft het ree het onderspit. Concurrerende soorten zijn met name koeien, paarden, schapen, damherten en edelherten. Wat overblijft zijn de min of meer rustgebieden die ontstaan door extensieve recreatie, agrarisch natuurbeheer en terughoudend natuurgebruik. Je vind deze vaak op particulier beheerde gronden.

Voor het actief beheer van de reeënpopulatie is het belangrijk de draagkracht te bepalen. En te zorgen dat de populatie steeds naar een maximum kan groeien.

Veel terrein- en reeënbeheerders willen negatieve invloeden van en voor reeën voorkomen. Daarvoor wordt naast de dichtheid aan, de draagkracht voor reeën van een gebied bepaald.

De ecologische draagkracht bepalen volgens van Haaften wordt als, meest verantwoord, uitgangspunt gezien. Het bepaalt de draagkracht op basis van omgevingsvariabelen zoals zuurgraad en bos- veldgrens percentage. De methode Gelderse Achterhoek is daarvan een praktische afgeleide omdat deze rekening houdt met lokale variatie in gebruik.

Van de conditie van de reeën en de reeëndichtheid kun je afleiden dat een draagkracht bereikt is. Als waarde voor de reeënconditie wordt het conditieproduct (CP-methode) gebruikt. Daarmee wordt gekeken of de conditie van de populatie reeën toeneemt, stabiliseert of afneemt. Zowel de methode Poutsma en de CP-methode maken van dit uitgangspunt gebruik.

Naast de conditie van de reeën kan aan de ontwikkeling van het aantal reeën gekeken worden of dit naar wens is. Daarbij wordt de logistische groeicurve gebruikt. Dat model bepaalt of er groei, stabiliteit of afname is in de aantallen reeën.

Naast het conditieproduct van het ree kunnen de aantallen reeën gebruikt worden om het stadium in de ontwikkeling van de reeënpopulatie te bepalen. Wanneer een populatie groeit, zullen er ook meer dieren tijdens een telling worden waargenomen. Door tellingen ieder jaar op dezelfde wijze en tijdstip uit te voeren en te verwerken, geven de resultaten gedurende een reeks van jaren een trend in de aantallen reeën. Deze trend biedt houvast. Immers, wanneer het doel is de populatie niet verder in aantal te laten toenemen en tijdens de tellingen worden steeds meer reeën waargenomen, is het aannemelijk dat de populatie groeit en kunnen de uitgangspunten en het beheer worden bijgesteld. Het is namelijk aannemelijk dat de trend in de resultaten van tellingen zich ontwikkelen als een logistische groeicurve.

Als het ree het resultaat is van de omgeving kun je ook via de reeën de beste leefomstandigheden zoeken. Dat is door Jan van Haaften gedaan. Hij heeft de factoren bepaald en een waarderingssysteem ontwikkeld dat een goede indicator geeft voor de waarde van het gebied voor het ree. Dus zonder dat er reeën worden gevangen en gemeten, is een leefomgeving te waarderen. In de methode "van Haaften" is echter niet in de invloed van mens en dier voorzien zoals die buiten het onderzoeksgebieden plaatsvinden. Dat heeft geleid tot het model Gelderse Achterhoek waarin het gebruik van de leefomgeving door het ree is meegenomen. En dat er toe leidde dat Jan van Haaften een aanpassing heeft gedaan op het oorspronkelijke model. En wel zo dat in een cultuurlandschap meer reeën voorkomen als in een natuurlijke habitat. In het model Gelderse Achterhoek wordt daarin nog een factor toegevoegd namelijk rust. Rust zorgt namelijk dat in een cultuurlandschap een nog hoger aantal reeën kan voorkomen.

Het vergelijken van reeën uit een leefgebieden met die waar een optimum is bereikt kan leiden tot een waardeoordeel. Daar waar de tellingen laten zien dat de aantallen zich anders ontwikkelen dan met draagkracht bepalen is geraamd, is dat reden om extra op te letten. Blijkbaar zijn de feitelijke omstandigheden anders dan werd aangenomen. Daarbij mogen we ook niet vergeten dat we in de praktijk, hoogstwaarschijnlijk, nooit exact alle factoren kennen.

Kortom het beoordelen van de conditie van de reeën in een bepaald gebied maakt het mogelijk een oordeel te geven over die leefomgeving. Daaruit komen meetbare factoren die gebruikt kunnen worden om de geschiktheid van die leefomgeving, in aantallen reeën, te bepalen en de verwachte optimale reeëndichtheid te schatten. De ontwikkeling van die reeëndichtheid kan tenslotte worden gevolgd door het 'tellen' van de reeën en die resultaten te verwerken tot een logistische groeicurve. Bovendien zijn het bepalen van draagkracht, ongeacht de methode, en het niet voldoen van de resultaten aan die draagkracht aanleiding om het omgaan met draagkrachtmethode(n) verder te verbeteren en het gebied aan een nader onderzoek te onderwerpen.