Als de reeënpopulatie de leefomgeving zodanig verandert dat een andere soort zich niet meer kan handhaven of de aanwas van reeën stabiliseert, dan is de maximum dichtheid bereikt. De reeëndichtheid kan zelfs zo groot worden dat die invloed door de reeën zelf, niet meer wordt verdragen. De aanwas neemt dan af en de sterfte neemt toe. We noemen dit de ecologische draagkracht.

Draagkracht is een maat, een bepaalde reeëndichtheid, voor wel of niet verdragen.

Als iets niet verdragen wordt drukken wij mensen dat uit in schade. Die draagkracht is zeer moeilijk vast te stellen. Het gaat hier bijvoorbeeld om het aantal schades ten gevolge van wildaanrijdingen, gras dat uit het weiland is gegeten, de laatste van een zeldzame plant, een paar struiken die in een bos zijn geveegd of alle rozenbottel-tuiltjes die nog in een bloemstuk moesten worden verwerkt. Hoe erg is het? Was dit te verwachten? Betreft het een automobilist die geschrokken is van een toevallig overstekend ree of zijn er vier aanrijdingen geweest in het verkeer? Kortom draagkracht of dichtheid is balanceren tussen doelen van mensen.

De reeëndichtheid wordt in Nederland door de mens beïnvloed. Dit beïnvloeden kan indirect zijn door het beperken van de leefomstandigheden en direct, door het doden van reeën. Waarbij het doden op verschillende manieren kan plaatsvinden. Met name door dat laatste heeft de populatie een grote veerkracht omdat de leefomstandigheden optimaal blijven voor de resterende reeën. Met als gevolg dat de aanwas onder de gegeven omstandigheden hoog blijft en de reeën over het algemeen gezond zijn. Die directe invloed is een vicieuze cirkel die we niet anders kunnen doorbreken dan door het leefgebied van de reeën te beperken of door uitbannen van de invloed door mensen. In beide gevallen kan de ecologische draagkracht worden bereikt mits andere sterfte geen rol speelt. In Nederland eigenlijk alleen te bereiken door het volledig omheinen van gebieden.

In de praktijk zullen de beheerders veel te maken krijgen met mensen die de economische draagkracht bepalen en dien ten gevolge de reeënpopulatie beïnvloeden.

Afbeelding: Logistische groeicurve: Dichtheid versus draagkracht
Logistische groeicurve

Stel je eens voor dat je voor een bos staat en wilt weten hoeveel reeën leven hier. Dat aantal noemen we de dichtheid. Met kennis van de leefomstandigheden die reeën nodig hebben, kunnen we deze leefomstandigheden waarderen en op basis daarvan het aantal reeën schatten. 

De dichtheid en de leefomstandigheden met draagkracht vergelijken komt veel voor als je iets over de ontwikkeling van het ree wilt vertellen.

De reeëndichtheid, beïnvloedt de mate van verdragen daarvan door de omgeving. Andersom bepaalt de omgeving het aantal reeën dat kan ontstaan. De leefomgeving en het aantal reeën bepalen samen het aantal reeën dat in een gebied leeft. Dat elkaar in evenwicht houden, balanceren, noemen mensen vaak natuurlijk evenwicht.

De reeëndichtheid is het aantal dieren dat in een gebied leeft. Bijvoorbeeld: Er leven 12 reeën in dit bos. Je geeft dus duidelijk het gebied aan waarvan je het aantal geeft. Wanneer we het begrip reeëndichtheid gebruiken moeten we dus precies aangeven om elk gebied het gaat. Dat kan zijn een oppervlakte-eenheid bijvoorbeeld een hectare of een geografisch gebied bijvoorbeeld Nederland. Ook in het geval van aantal per geografisch gebied zal de volgende stap moeten zijn daaruit het aantal reeën per hectare te bepalen wil je gebieden met elkaar vergelijken. Daarbij het gebied vaak getypeerd naar bijvoorbeeld type bos, vorm van de dekking, werkgebied wildbeheereenheid, werkgebied faunabeheerenheid, enzovoort. Dit kan bij grote gebieden ook in ander oppervlakte eenheden bijvoorbeeld vierkante kilometers (km²).

De reeëndichtheid voor Nederland is in 2012 ongeveer 67.000 st. / 33.800 km² land = 2 reeën per vierkante kilometer Nederland. Bedenk dat dit inclusief wegen, steden en weilanden is. In de afgelopen 10 jaar was er ongeveer 4.800 km² bos en natuurterrein (bron CBS). Aangezien daar graag reeën leven is de reeëndichtheid voor bos en natuurterreinen 67.000 / 4.800 km²*2 = 14 reeën per km² = 14 reeën per 100 ha. Is 1 ree per 10 Ha dekking in de winter.

De ontwikkeling van reeëndichtheid versus draagkracht ziet er uit als een logistische groeicurve. De reeëndichtheid zegt echter niets over de ontwikkeling van het aantal reeën. Het is een moment opname. Worden het er meer of minder. Dat zelfde geldt ook voor de draagkracht door de omgeving. De combinatie draagkracht en dichtheid geeft echter een indicatie voor de ontwikkeling. Als de omgeving meer reeën verdraagt als dat er reeën leven kan het aantal nog toenemen. Andersom is er grote kans dat de stand lange tijd ongeveer hetzelfde blijft met risico op sterfte.

Willen we een soort beheren moeten we de aantallen schatten op basis van wat we wel weten. We moeten in zowel voor het aantal dat kan worden verdragen als voor het aantal aanwezig de reeën schatten om te kunnen vergelijken. Daarbij is er verschil tussen economische en ecologische maximum aantal reeën.

maximum

Is het aantal waarbij de reeënpopulatie zodanig invloed heeft op haar leefomgeving dat de aanwas af- en de sterfte toeneemt. De aanwas beïnvloed de sterfte.

ecologisch
maximum

Is het aantal onder natuurlijke omstandigheden waarbij geen directe invloed van mensen is zoals beperken van leefgebied, populatiebeheer, verkeersdruk, enzovoort. De aanwas en sterfte balanceren binnen een natuurlijke variatie.

economisch
maximum

Is het aantal dat in onze omgeving wordt bereikt als de reeënpopulatie zich kan ontwikkelen overeenkomstig de door erfelijke aanleg en huidige omstandigheden bepaalde mogelijkheden. De aanwas en sterfte (ook niet natuurlijke) balanceren binnen een door mensen beïnvloede variatie.


Als er geen sprake is van direct beïnvloeden van de aantallen reeën door het doden van reeën stabiliseert het aantal reeën van nature. Is die balans bereikt dan is het ecologisch maximum bereikt. Met nadruk een maximum omdat de draagkracht enorm schommelt door oorzaken als predatie, ziekte, overstroming, strenge winter, enzovoorts. Telkens groeit de populatie naar een maximum.

Bij zo'n maximum horen lange perioden van stabiliteit met af en toe enorme sterfte. Bij zo'n maximum horen, incidenteel, grote sterfte en dus kleinere aanwas. Deze zijn moeilijk te herkennen in de grote variatie. Een epidemische ziekte of bijvoorbeeld grootschalige beheermaatregel kan in een toestand van het ecologische maximum leiden tot massale sterfte. Afhankelijk van wat overblijft zal de populatie zich kunnen herstellen. We kunnen een hoge ecologische dichtheid herkennen en meten door het dalen van het lichaamsgewicht, het lichter worden van de geweien, het toenemen van het aantal knopbokken, het migreren van reeën uit het gebied. Dat laatste heeft in ons land tot gevolg; toename van verkeersslachtoffers en dood gevonden reeën (valwild).

Mensen laten zich niet graag beïnvloeden door natuur. Sterker nog de meeste mensen, de mens dus, beïnvloeden de natuur om de eigen leefomgeving naar wens in te richten. Daarbij zorgen sommige mensen voor andere mensen en verbouwen gewassen, bouwen huizen en leggen wandelpaden aan. Dat beïnvloed de leefomgeving. Ook die van de reeën. De reeën, de natuur, levert dan in.

Vanuit die redenatie ontstaat de economische draagkracht. Je bepaalt op basis van door je doelen bepaalde draagkracht de stand en handhaaft die. De belangrijkste factoren zijn verkeersslachtoffers en medegebruik van natuur. Bij verkeersslachtoffers benadeelt het ree de mens te veel in het tweede geval benadeelt de mens het ree veel. Het evenwicht tussen wat mensen nodig hebben en reeën kunnen verdragen bepaalt het economisch maximum aan reeën.

Een ree zal in Nederland alleen in min of meer voor mensen afgesloten gebieden het ecologisch maximum bereiken. Waarbij in die gebieden waar zij veel concurrentie ondervinden van andere soorten zoals wilde koeien, paarden, schapen, damherten en edelherten het ree het onderspit delft. Wat overblijft zijn de min of meer rustgebieden die ontstaan door extensieve recreatie, agrarisch natuurbeheer en terughoudend natuurgebruik. U vindt dit vaak op particulier beheerde gronden.

Voor het actief beheer van de reeënpopulatie in die gebieden is het de vraag mag de populatie naar het maximum groeien of moet het maximum gehandhaafd worden?

Veel terrein- en reeënbeheerders willen negatieve invloeden van en voor reeën voorkomen. Daarvoor wordt naast de dichtheid aan, de draagkracht voor reeën van een gebied bepaald.

De ecologische draagkracht bepalen volgens van Haaften wordt als, meest verantwoord, uitgangspunt gezien. Het bepaalt de draagkracht op basis van omgevingsvariabelen zoals zuurgraad en bos- veldgrens percentage. De methode Geldersche Achterhoek is daarvan een praktische afgeleide omdat deze rekening houdt met lokale variatie in gebruik.

Van de conditie van de reeën en de reeëndichtheid kun je afleiden dat een draagkracht bereikt is. Als waarde voor de reeënconditie wordt het conditieproduct (CP-methode) gebruikt. Daarmee wordt gekeken of de conditie van de populatie reeën toeneemt, stabiliseert of afneemt. Zowel de methode Poutsma en de CP-methode maken van dit uitgangspunt gebruik.

Naast de conditie van de reeën kan aan de ontwikkeling van het aantal reeën gekeken worden of dit naar wens is. Daarbij wordt de logistische groeicurve gebruikt. Dat model bepaalt of er groei, stabiliteit of afname is in de aantallen reeën.

Naast het conditieproduct van het ree kunnen de aantallen reeën gebruikt worden om het stadium in de ontwikkeling van de reeënpopulatie te bepalen. Wanneer een populatie groeit, zullen er ook meer dieren tijdens een telling worden waargenomen. Door tellingen ieder jaar op dezelfde wijze en tijdstip uit te voeren en te verwerken, geven de resultaten gedurende een reeks van jaren een trend in de aantallen reeën. Deze trend biedt houvast. Immers, wanneer het doel is de populatie niet verder in aantal te laten toenemen en tijdens de tellingen worden steeds meer reeën waargenomen, is het aannemelijk dat de populatie groeit en kunnen de uitgangspunten en het beheer worden bijgesteld. Het is namelijk aannemelijk dat de trend in de resultaten van tellingen zich ontwikkelen als een logistische groeicurve.

Als het ree het resultaat is van de omgeving kun je ook via de reeën de beste leefomstandigheden zoeken. Dat is door Jan van Haaften gedaan. Hij heeft de factoren bepaald en een waarderingssysteem ontwikkeld dat een goede indicator geeft voor de waarde van het gebied voor het ree. Dus zonder dat er reeën worden gevangen en gemeten, is een leefomgeving te waarderen. In de methode van Haaften" is echter niet in de invloed van mens en dier voorzien zoals die buiten het onderzoeksgebieden plaatsvinden. Dat heeft geleid tot het model Gelderse Achterhoek waarin het gebruik van de leefomgeving door het ree is meegenomen. En dat er toe leidde dat Jan van Haaften een aanpassing heeft gedaan op het oorspronkelijke model. En wel zo dat in een cultuurlandschap meer reeën voorkomen als in een natuurlijke habitat. In het model Gelderse Achterhoek wordt daarin nog een factor toegevoegd namelijk rust. Rust zorgt namelijk dat in een cultuurlandschap een nog hoger aantal reeën kan voorkomen.

Het vergelijken van reeën uit een leefgebieden met die waar een optimum is bereikt kan leiden tot een waardeoordeel. Daar waar de tellingen laten zien dat de aantallen zich anders ontwikkelen dan met draagkracht bepalen is geraamd, is dat reden om extra op te letten. Blijkbaar zijn de feitelijke omstandigheden anders dan werd aangenomen. Daarbij mogen we ook niet vergeten dat we in de praktijk, hoogstwaarschijnlijk, nooit exact alle factoren kennen.

Kortom het beoordelen van de conditie van de reeën in een bepaald gebied maakt het mogelijk een oordeel te geven over die leefomgeving. Daaruit komen meetbare factoren die gebruikt kunnen worden om de geschiktheid van die leefomgeving, in aantallen reeën, te bepalen en de verwachte optimale reeëndichtheid te schatten. De ontwikkeling van die reeëndichtheid kan tenslotte worden gevolgd door het 'tellen' van de reeën en die resultaten te verwerken tot een logistische groeicurve. Bovendien zijn het bepalen van draagkracht, ongeacht de methode, en het niet voldoen van de resultaten aan die draagkracht aanleiding om het omgaan met draagkrachtmethode(n) verder te verbeteren en het gebied aan een nader onderzoek te onderwerpen.