Door:
naar: Reeënbeheer volgens J.Poutsma en Kotter, uit: tijdschrift Capreolus

Reeënbeheer, volgens J.Poutsma en Kotter, gebruikt, voor het bepalen van de draagracht, de biologische gegevens over de gezondheidstoestand en het welzijn van de voorkomende reeën. Hierbij wordt er van uitgegaan dat de draagkracht van een gebied aan de de gezondheid van de voorkomende reeën kan worden bepaald. En dus aan het ree gemeten kan worden. Om die gezondheid te meten en te kunnen spiegelen aan reeën uit een zelfde omgeving dienen reeën gevangen of gedood te worden. Daarvoor inventariseert men:

Met name de reeën toestand is in de methode Poutsma ver uitgewerkt.

Onder draagkracht verstaat Poutsma:
Een dynamische evenwichtssituatie waarbij een aantal reeën blijvend gebruik kan maken van het voedselaanbod zonder dat dit negatief wordt beïnvloed. (Daarbij wordt voorbij gegaan aan andere factoren die de evenwichtssituatie beïnvloeden zoals onrust, verkeer, populatiebeheer, stroperij, landbouwwerkzaamheden. Herzo van der Wal)

Uitgangspunt is dat door de ontwikkelingen aan de reeënpopulatie nauwkeurig te volgen en relevante gegevens te inventariseren en te registreren inzicht wordt gekregen in het evenwicht tussen de voedselsituatie en reeën.

De uitkomsten van voedselinventarisatie en tellen aantal reeën mogen niet als enig gegeven worden gebruikt voor het beheer van reeën. Want deze geven nog geen inzicht in de relatie tussen het voedselaanbod van het terrein en de omvang van de populatie reeën. Een ree kan namelijk door stress honger lijden in een voedselrijk gebied. De gezondheidstoestand en conditie van de reeën zelf kunnen dat wel.

Inventariseren voedselaanbod
De inventarisaties hebben betrekking op zowel het voedselaanbod als het gebruik daarvan door reeën. Tijdens de inventarisaties moet je daarom rekening houden met de voedselstrategie en de sociale organisatie van reeën:

  • reeën hebben een voorkeur voor licht verteerbare plantendelen en met een hoog nutriënten gehalte.
  • reeën hebben ten opzichte van andere herkauwers een hoge stofwisseling en een kleine pensinhoud. Dit betekent dat deze dieren per tijdseenheid veel energie uit hun voedsel moeten halen. Daarmee is de voorkeur voor licht verteerbaar voedsel met een hoog voedingsgehalte en een snelle doorstroming verklaard.
  • Dominantie regelt de verdeling van beide seksen over het gebied. Dominante dieren vestigen zich in terreingedeelten met het beste voedselaanbod en goede overlevingskansen.

Een geschikte tijd voor het inventariseren van het voedselaanbod is eind mei en de gehele maand juni. Met een aanvullende inventarisatie van de mastproductie (vruchtdracht) van bomen en de gedurende winter te velde staande gewassen. Geïnventariseerd worden voedselplanten die in een grote variatie aan plantensoorten in het gebied voorkomen en waarvan;

  • de plantendelen bereikbaar zijn (0-120cm).
  • en de plantendelen licht verteerbaar zijn
  • of de vruchten gedurende de herfst en winter door reeën gevreten worden. De mastproductie wordt in de herfst gewaardeerd en wordt aangegeven met geen, weinig, matig of veel

De hoeveelheid plantenvoedsel wordt vastgesteld als percentage bedekt oppervlak van het totale geïnventariseerde gebied. Terreingedeelten kunnen op grond van deze inventarisatie als volgt worden ingedeeld:
De terreingedeelten worden in een (voedsel)kaart op deze wijze gekwalificeerd.

  • GOED - Terreingedeelten waar > 60% van de bodem wordt bedekt is door geschikte voedselplanten
  • MATIG - Terreingedeelten waar 30-60% van de bodem wordt bedekt door geschikte voedselplanten
  • SLECHT - Terreingedeelten, waar < 30% van de bodem wordt bedekt door geschikte voedselplanten

Inventariseren aantal reeën
Reeëntellingen worden vaak gezien als een belangrijk meetpunt bij het beheer. De voorkeur wordt gegeven aan jaarrondtelling ook wel continu-telling genoemd waarbij regelmatig verdeeld over het jaar, enige malen per week geteld wordt.
De gezamenlijke seizoen-telgegevens worden op de voedselaanbodkaart ingetekend. Hierdoor krijgt men niet alleen inzicht in het aantal, de reproductie, de geslachtsverhouding maar ook in de verspreiding van de reeën over het gebied in de seizoenen en gedurende het jaar. De uitkomsten van de tellingen kunnen alleen als indicaties worden beschouwd en mogen niet als absolute waarden worden gebruikt.

Inventariseren toestand reeën
Vooral de toestand waarin reeën gedurende de wintermaanden verkeren geeft informatie over de relatie voedselaanbod /reeën. De leeftijdsgroep die de meeste informatie oplevert zijn de kalveren die zijn namelijk in het gebied opgegroeid. Aan levende reeën in het veld valt, tijdens de wintermaanden, de conditie moeilijk vast te stellen. Daarom is het noodzakelijk, dat voor bemonstering steekproefsgewijs (niet aanspreken op toestand) enige reeën worden afgeschoten.

Steekproefsgewijs selecteren
Gedurende de wintermaanden worden enkele kalveren steekproefsgewijs geschoten. Dit kan al bereikt worden als het eerste, het derde en het vijfde waargenomen kalf wordt geschoten of als elke jager in het te onderzoeken gebied het eerste kalf dat zij tegenkomen, ongeacht zijn uiterlijke verschijning, schieten en (laten) meten. Hierover worden vaste afspraken gemaakt. Zoals hoe bepaal je dat eerste, derde of vijfde kalf. De selectie van het kalf gebeurt altijd door een groep reeën van links naar rechts aan te spreken en dus de kalveren te tellen. Dit voorkom dat er, onbedoelt, alleen slecht of goed ontwikkelde kalveren worden geschoten. Uitkomsten van niet steekproefsgewijs afgeschoten dieren leveren een vertekend beeld op van de toestand van de reeën.

Meten aan het ree
Door te meten aan het ree kunnen zowel voor de groei, de conditie en de overlevingskans van het ree een indicatie worden gegeven. Tenslotte wordt om te voorkomen dat gegevens verkeerd worden geïnterpreteerd, de leeftijd van het gemeten ree vastgesteld.

Bepalen groei
Voor de bepaling van de groei worden romplengte en borstdiepte gemeten aan het niet ontweide dier zo kort mogelijk na het schot. I.v.m. de snel gistende voedsel resten in de maag van het dier. Met de romplengte en de borstdiepte kan de groei van de kalveren worden vastgesteld.

ONTWIKKELINGSGETAL (groei) = 0.1 x ROMPLENGTE x BORSTDIEPTE

De romplengte wordt gemeten tussen borstbeen en zitbeen.

Tekening: Meten romplengte

Het dier wordt daarvoor, met een rechte rug, op een vlakke ondergrond neergelegd. Je meet van weerstand borstbeen tot weerstand zitbeen. Dit kan door deze vertikaal op de ondergrond te projecteren, te markeren met bijvoorbeeld een stok, rietstengel, mes, et cetera. De ruglijn van het dier moet tijdens de meting recht blijven. Door de ree met de rugzijde tegen een vast voorwerp aan te leggen kan kromming worden voorkomen.

Het meest betrouwbaar is het gebruik van een super grote schuifmaat met daarop een maatverdeling. De romp wordt zodanig tussen de meetvlakken van de schuifmaat gebracht dat het ene einde tegen het borstbeen rust en het andere einde tegen het zitbeen. De meetvlakken worden naar elkaar toegeschoven tot er weerstand wordt gevoeld. De ruglijn moet ook tijdens deze manier van meten recht blijven. Door de ree met de rugzijde tegen een vast voorwerp aan te leggen kan kromming worden voorkomen.

De borstdiepte wordt in dezelfde positie en soortgelijk gemeten. De meetplaats ligt hier vlak achter één van de voorpoten. Voor de goede orde; er is gemeten aan het niet ontweide dier.

Bepalen conditie
Met de romplengte, de borstdiepte en het ontweide gewicht kan de CONDITIE van de reeën worden vastgesteld.

Tekening: Meten borstdiepte

CONDITIEPRODUCT = 0.1 x het ONTWIKKELINGSGETAL x het ONTWEID GEWICHT

Bepalen ontweidgewicht
Voor het vaststellen van het ontweide gewicht worden de reeën ontdaan van het hart, de longen, het middenrif, het maag-darmkanaal, de lever, de milt, de nieren en de geslachtsorganen. De kop (incl. eventueel gewei), huid, en de poten worden wel meegewogen.

Bepalen overlevingskans
Bepalen beenmergvetpercentage van het opperarmbeen voor inschatting overlevingskans in deze winter. Daarvoor wordt het opperarmbeen voorzichtig verwijderd zodat het wildbraad zo weinig mogelijk wordt beschadigd.

Bepaling aantal en geslacht embryo's bij geiten. In de baarmoeder geiten komen embryo's voor. Daarvan wordt het aantal en het geslacht vastgesteld. De embryo's zijn een indicatie voor de aanwas en de geslachtsverhouding die onder optimale omstandigheden kan ontstaan.

Bepalen leeftijd
De leeftijd bepalen van het ree vindt plaats op basis van de ontwikkeling van de kiezen in de onderkaak.

Beheer
De beheermethode van Poutsma laat populatiebeheer van reeën toe op plaatsen waar, van nature, lager in rangorde staande dieren zijn of naar toe trekken. De kwaliteit van het leefgebied bepaalt of er op die plek wel of geen ingreep in de populatie plaatsvind.