1. Inleiding
  2. Wettelijk kader
  3. Reeën in Nederland
  4. Beheer:
    1. Voorkomen onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren
    2. Verkeersveiligheid
    3. Schade aan bos- en landbouw
    4. Populatie beheer
    5. Effect van beheren reeën op natuur in NATURA-2000 gebied
  5. Wildmerken
  6. Monitoren
  7. Terugkerende cyclus

Inleiding
Jagers houden zich sinds jaar en dag bezig met het beheer van reeën. Sinds het inwerking treden van de Flora- en faunawet in 1998 worden reeën niet meer tot de wildsoorten gerekend. Het zijn beschermde dieren. Dat betekent dat reeën met rust moeten worden gelaten, tenzij er belangen zijn die een inbreuk op die bescherming rechtvaardigen. 

Het is aan de faunabeheereenheid (FBE) om in het faunabeheerplan aan te geven in hoeverre die belangen in het werkgebied van de FBE spelen en er een noodzaak bestaat om in te grijpen in reeënpopulaties. Wanneer die noodzaak aanwezig zijn de wildbeheereenheden (WBE’s) bij de uitvoering van dat beheer betrokken. In de FBE zijn in ieder geval de jachthouders en maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort, vertegenwoordigd. Je kunt daarbij denken aan terreineigenaren, agrarische grondgebruikers en beheerders van  natuurterreinen. In de WBE's zijn de jachthouders en andere jachtgerechtigden verenigd. 

Met een eerdere versie van deze leidraad gaven de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging en de Vereniging Het Reewild de jagers, de WBE’s en de FBE’s een uniforme aanpak voor het beheer van reeën. Die leidraad is door Kenniscentrum Reeën aangepast zodat deze ook nu nog leidt tot een set aan gegevens die lokaal kan worden gebruikt om eventueel de reeën te beheren en een bijdrage kan worden geleverd aan een gebiedsoverstijgend faunabeheerplan.

Wettelijk kader
Reeën zijn beschermde inheemse dieren. Het is verboden deze dieren te verontrusten, te vangen of te doden. De wet maakt hierop echter wel uitzonderingen. In de Wet worden opgesomd:

  • belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid
  • belang van verkeersveiligheid
  • voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, bossen en vee
  • ter voorkoming van schade aan flora en fauna
  • andere bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) aangewezen belangen zoals;
    • Voorkoming en bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren
    • Het reguleren van de populatieomvang aan reeën met dien verstande dat vanwege dit belang slechts ontheffing kan worden verleend indien de aanleiding is gelegen in de schadehistorie ter plaatse en van het omringende gebied of de maximale populatieomvang in relatie tot de draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden.

De FBE is de aangewezen instantie om ontheffing aan te vragen voor het doden van reeën. Zij zal in haar faunabeheerplan een onderbouwing moeten geven van de noodzaak tot ingrijpen. In § 3.4. Schadebestrijding, overlastbestrijding en faunabeheer artikel 3.12 van de Wet Natuurbescherming is aangegeven waaraan dat faunabeheerplan moet voldoen. Het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht geschieden overeenkomstig het faunabeheerplan.

Deze wettelijk eisen verwachten gegevens over:

  • volksgezondheid,
  • openbare veiligheid
  • verkeersveiligheid
  • schade aan gewassen
  • schade aan bossen
  • schade aan vee
  • schade aan flora en fauna
  • lijden van dieren
  • relatie schadehistorie en populatieomvang lokaal
  • relatie schadehistorie en populatieomvang gebied waarin de dieren zich bevinden (leefgebied)

Reeën in Nederland
De afgelopen zestig jaar is het aantal reeën in ons land fors toegenomen. Deze toename is onder andere af te lezen uit het afschot, dat is gerelateerd aan het aantal reeën dat jaarlijks tijdens reeëntellingen wordt waargenomen. In 1960 werden ca. 4000 reeën geschoten, in 2005 waren dat er ruim 15.000. De meest recente voorjaarstellingen (2010) wijzen op een voorjaarsstand van ruim 70.000 reeën. Omdat tijdens een telling niet alle aanwezige reeën worden waargenomen, moet dit getal als minimum aantal reeën worden gezien.

Vanaf 1950 tot op heden is het areaal natuur gegroeid van circa 7% (250.000 ha.) naar 10,6% (360.000 ha.) van het landoppervlak. De toename van het aantal reeën is daarom opmerkelijk. En dat in een land met 17 miljoen mensen, met een bijbehorende recreatiedruk in die natuur. Een land ook met een infrastructuur van tienduizenden kilometers wegen die intensief worden gebruikt en daarnaast een intensieve landbouw en veehouderij.

Reeën komen niet alleen voor in natuurgebieden, maar voelen zich ook goed thuis in het moderne cultuurlandschap. Veel gebieden waar reeën voorkomen zijn echter ‘vol’. Dit uit zich in een jaarlijks terugkerende migratie van uitgestoten dieren, die zich elders een plek moeten zien te verwerven. Op zoek naar een geschikte leefomgeving, moeten deze dieren vaak wegen oversteken hetgeen leidt tot aanrijdingen. De reeën bezetten zodoende ook in minder geschikte biotopen, wat leidt tot  stress dat zich uit in een verminderd welzijn van de dieren. Dat verminderde welzijn is af te lezen aan lagere gewichten, geringe geweiontwikkeling en het vaker optreden van parasitaire ziekten.

Kortom, een hoge dichtheid gaat ten koste van dierenwelzijn. Dit dierenwelzijn is ook aan de orde reeën die worden aangereden. Vaak is een aangereden ree niet op slag dood. Deze reeën verdwijnen vaak in het bos, lijden daar en gaan uiteindelijk dood.

De toename van reeën leidt bovendien tot toenemende schade aan het bos en aan land- en tuinbouwgewassen.

Om bovengenoemde redenen wordt ieder jaar, in het grootste deel van ons land de groei van de reeënpopulatie door afschot beperkt.

Bovenstaande korte samenvatting over reeën in Nederland bevat de elementen die lokaal verzameld worden om dit totaalbeeld te kunnen schetsen. We herkennen:

  • Het gebied
  • De periode waarover gegevens zijn verzameld
  • De ontwikkeling van de reeënpopulatie
  • De bronnen op basis waarvan de conclusies zijn getrokken
    • het afschot
    • aantallen reeën uit:
      • reeëntellingen
      • ​voorjaarstellingen
      • transecttellingen
      • schatting bezetting reeën
    • conditie reeën
      • gemidddelde gewichten per leeftijdsklasse
      • oorzaken sterfte
      • oorzaken ziekten en ongemakken
  • De ontwikkeling in het leefgebied
  • De bronnen op basis waarvan de conclusies zijn getrokken
    • oppervlakten bedekking in de winter
    • wildaanrijdingen
  • Hoe wordt omgegaan met onzekerheden zoals het ontbreken van gegevens van niet-aangeslotenen

Beheer
Het officiële faunabeheerplan bevat een samenvatting van bovenstaande en:

  • een planmatige en doelmatige aanpak van het faunabeheer onderbouwd door trends in de populatie reeën in het gebied waarop het plan van toepassing is
  • passende en doeltreffende maatregelen ter voorkoming en bestrijding van schade aangericht door reeën
  • de omvang en begrenzing van het gebied waarop het plan betrekking heeft ten opzichte van de omvang en begrenzing van de FBE
  • de aard, omvang en noodzaak van de op grond van het faunabeheerplan te verrichten handelingen waarvoor een ontheffing wordt verleend of waartoe opdracht wordt verleend
  • de wijze waarop en de perioden waarin de handelingen worden verricht
  • de vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties in het bestuur van de faunabeheereenheid

Beheer ter voorkoming van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren
Mede gelet op de intrinsieke waarde van het individuele dier is het wenselijk dat in geval van onnodig lijden van een ree, kan worden opgetreden. Het gaat dan om gewonde en zieke reeën. Beheerders dienen met het oog op dit belang, te beschikken over een snel opvraagbare ontheffing die voor dit doel gebruikt wordt.

Beheer ter voorkoming van verkeersveiligheid
Doordat reeën wegen oversteken, worden er reeën aangereden. Dit leidt niet alleen tot verkeersonveilige situaties voor de weggebruiker, maar ook tot (aanzienlijke) schade aan voertuigen. Aanrijdingen met reeën doen zich gedurende het gehele jaar voor, met een piek in het voorjaar (april/mei). In deze tijd van het jaar worden de reeën territoriaal en ontstaat onrust in de populatie. Jonge dieren worden door de oudere verdreven en moeten op zoek naar een nieuw leefgebied. Hoe meer reeën aanwezig zijn, hoe meer onrust en hoe groter de kans op aanrijdingen.

Om de kans op aanrijdingen te verkleinen, kunnen wildspiegels langs de weg worden geplaatst. Het is bekend dat het afwerende effect na verloop van jaren verdwijnt. Met noemt dat gewenning. Met enige regelmaat dienen wildspiegels voor andere te worden vervangen waardoor de gewenning voor een te bepalen periode weer verdwijnt. Gewenning is herkenbaar aan het toenemen van de slachtoffers. Bij gelijk blijvende omstandigheden in de wijde omtrek. Het (lokaal) inperken van de populatie is een andere maatregel om het aantal aanrijdingen te verminderen. Er zijn aanwijzingen dat het aantal aanrijdingen exponentieel toeneemt bij het bereiken van de draakkracht van het gebied. Dat kan een reden zijn om de populatie (voorjaarsdichtheid) op een lager niveau te houden dan op grond van de draagkracht (rekenmodel Van Haaften) is vastgesteld. Men kan ervoor kiezen dat draagkracht min aanwas de doel dichtheid in het voorjaar is.  Het kan ook een reden zijn om reeën vooral op plaatsen die als knelpunt worden aangemerkt, te doden. Men kan ook kiezen voor een combinatie daarvan.

Het is belangrijk te meten of de maatregel (inperken populatie en/of afschot op specifieke knelpunten) effect heeft. Daarom is het nodig dat het aantal aanrijdingen met reeën nauwkeurig wordt bijgehouden. Een eenduidige registratie van bekende gevallen en als ook overzichten van de bij de politie, dierenambulance en/of andere instanties gemelde aanrijdingen dragen daar aan bij. Door deze gegevens ieder jaar in één kaart te verzamelen krijgt de beheerder een goed beeld van waar en wanneer hoeveel aanrijdingen hebben plaatsgevonden. Specifieke knelpunten kunnen op deze wijze in beeld worden gebracht en eventueel kunnen daar aanvullende maatregelen worden genomen. (bijvoorbeeld afrasteren, verkeersremmende maatregelen, extra wildspiegels en/of inperken van de populatie)

Hoewel verdrinken van reeën wettelijk gezien geen reden is voor beheer van de populatie reeën, is het toch raadzaam verdrinkingsgevallen in beeld te brengen. Op specifieke knelpunten kunnen dan gerichte maatregelen worden genomen, bijvoorbeeld het (laten) aanleggen van zogenaamde fauna uittredeplaatsen.

Registratie van het aantal aanrijdingen, de locaties en de data waarop de aanrijdingen hebben plaatsgevonden. Betreft gegevens van jachthouders, politie, wegbeheerder en dierenambulance.

Schade aan bos en land- en tuinbouwgewassen
Reeën kunnen schade veroorzaken aan bosverjonging en aan land- en tuinbouwgewassen. Vaak is dit een lokale aangelegenheid. Daar waar uitrasteren geen optie is, is het wegnemen van de schadeveroorzakers dat wel, dan wel een tijdelijke verlaging van de reeënstand. Ook hier geldt dat het vastleggen van schades door reeën noodzakelijk is. Ook dit is een aangelegenheid van de jachthouders (en boeren) binnen de WBE. Door deze schades aan te geven op een kaart, worden knelpunten binnen het werkgebied van de WBE zichtbaar.

Registratie van schade(meldingen) aan bos en land- en tuinbouwgewassen.

Populatiebeheer
Populatiebeheer is het preventief ingrijpen in populaties om te voorkomen dat er ‘te veel dieren op een bepaald oppervlak aanwezig zijn’ en er problemen optreden. De wet biedt voor dit preventief ingrijpen expliciet de mogelijkheden. Om hier invulling aan te kunnen geven moet bekend zijn wat de gewenste stand is, hoeveel reeën in dat gebied aanwezig zijn, en hoeveel reeën jaarlijks uit de populatie moeten worden weggenomen. Vervolgens moet worden ‘gemeten’ of het beheer effect heeft.

Gewenste dichtheid
Het is van belang om aan te kunnen geven hoeveel reeën in een bepaald gebied  van minstens 5000 ha kunnen leven zonder dat er dierenwelzijnsproblemen optreden. De kwaliteit en kwantiteit van de biotoop gedurende de winter is bepalend voor die hoeveelheid. Er zijn enkele draagkrachtmethoden die dit mechanisme ondersteunen.

Er zijn in de loop der jaren verschillende methoden ontwikkeld, waarmee een draagkracht van het terrein kan worden bepaald. De meest gangbare methode is die van Van Haaften. Deze methode is echter niet voor alle gebieden te gebruiken. Er is nog namelijk geen goed alternatief om de rust in gebieden zonder dekking van boscages bijv. daar waar veldreeën kunnen leven te bepalen.

De methode Van Haaften geeft een puntenwaardering voor de grens tussen dekking en open veld, de oppervlakte weiden en akkers, de verhouding dekking en open terrein, de boomsoorten verdeling en de zuurgraad van de grond. De totale puntenverdeling wordt geclassificeerd naar aantal reeën dat per 100 hectare dekking aanwezig kunnen zijn. Bij die populatiedichtheid raken de reeën niet door de natuurlijke omstandigheden in een slechte conditie.

Dichtheid
Het exact vaststellen van het aantal reeën dat in een gebied leeft is niet mogelijk. Reeën vertoeven namelijk overdag veelal in dekking (bos, riet e.d..) en zijn in de schemering actief om voedsel te zoeken. Maar niet alle reeën worden dan zichtbaar bijvoorbeeld buiten de dekking. Bovendien zijn er gedurende de seizoenen grote verschillen in de mate van actief zijn.

Met name tijdens de voorjaarstellingen (maart,april) kan een goede indruk worden gekregen van het aantal aanwezige reeën. De ervaring leert dat ook tijdens een dergelijke telling niet alle aanwezige reeën worden waargenomen.

Door de tellingen op steeds dezelfde manier uit te voeren kan een indruk worden gekregen van de aanwezige reeën en ontstaat een reeks gegevns die voor trendbepaling kan worden gebruikt. Als dit heel consequent langs dezelfde route gebeurt ontstaat de basis voor een trendtelling. Het is belangrijk dat ook de natuurgebieden bij de telling betrokken worden waar geen afschot plaatsvindt

Let ook op hoe de tellingen in het verleden werden gedaan. Mogelijk kan met een kleine aanpassing een veel langere reeks gegevens worden verkregen.
Het uiteindelijke telresultaat geeft dan ook een ondergrens van het werkelijk aantal aanwezige reeën. Bij een lage uitkomst van de telling als gevolg van bijvoorbeeld extreme weersomstandigheden, kan men door het cosequent tellen uitgaan van het gemiddelde van de laatste drie jaren.

Aanvullend kan een jaarrondtellingen worden bijgehouden. Deze geven niet alleen informatie waar de reeën zich gedurende het jaar ophouden, maar kunnen de conclusies van de schemertellingen aanscherpen.

Wanneer een populatie groeit worden er ook meer dieren tijdens een telling waargenomen. Doordat de telling ieder jaar op dezelfde wijze en op hetzelfde tijdstip uit wordt gevoerd geven de resultaten gedurende een reeks van jaren een trend in de aantalsontwikkeling. Deze trend geeft houvast bij het beheren van reeën. Immers, wanneer het doel is de populatie niet verder in aantal te laten toenemen en uit de tellingen blijkt dat dit toch het geval is kan het zijn dat het beheer moet worden bijgesteld.

De draagkracht van het gebied voor reeën bepalen

Het houden van voorjaarstelling en vastleggen van resultaten

Het vaststellen van het afschot op basis van tellingen, gewenste stand en verwachte aanwas

 

Resumerend
Met het verwerven van de bovenstaande gegevens kan voor een belangrijk deel aan de wettelijke vereisten aan het faunabeheerplan worden voldaan. De vereiste omvang van het werkgebied en een kaart met daarop de begrenzing laat zich vrij eenvoudig invullen. Wanneer in het faunabeheerplan tevens wordt aangegeven hoe wordt omgegaan met onzekerheden zoals niet-aangeslotenen die wel van de ontheffing gebruik willen maken is het faunaplan compleet.

Effect van beheren reeën op natuur in NATURA-2000 gebied
De in ons land aangewezen Vogelrichtlijngebieden en Habitatrichtlijngebieden vormen samen het Europees netwerk ‘Natura 2000’. In veel van deze NATURA-2000 gebieden komen reeën voor. De Wet schrijft voor dat alle activiteiten die de leefomstandigheden van de soorten die de gebieden tot die gebieden maakten zouden kunnen verslechteren of die een verstorend effect op die soorten zouden kunnen hebben, niet mogen plaatsvinden zonder aparte ontheffing. Als die activiteit bijvoorbeeld populatiebeheer reeën is opgenomen in het beheerplan voor dat NATURA-2000 gebied is die extra ontheffing niet nodig. Terreinbeheerders en wildbeheereenheden zullen er op toe moeten zien dat reeënbeheer in de NATURA-2000 beheerplannen is opgenomen. Bij voorkeur door te verwijzen naar het bestaande faunabeheerplan en andersom vanuit het faunabeheerplan wordt geduid hoe is omgegaan met de bealngen in die gebieden.


Wildmerken
Teneinde de registratie van het afschot te vereenvoudigen en de traceerbaarheid van de herkomst van vlees die Verordening EG-178/2002 voorschrijft vast te kunnen leggen is het nodig dat geschoten reeën worden voorzien van een voor mensen uniek herkenningsteken, bijvoorbeeld een wildhygiëne label. Met het opnemen van dat labelen in het faunabeheerplan en het op basis van dat plan verstrekken van ontheffingen wordt de monitoring van het afschot van reeën eenvoudig.  Zo kan ook het binnen 24 uur na afschot registreren van gegevens zoals datum van de activiteit, conditie en gewicht van het gedode ree als een ontheffingsvoorwaarde worden ingepast en worden gekoppeld aan dat herkenningsteken. Het niet voldoen aan het plan kan gezien worden als onttrekken aan dat plan en dus niet voldoen aan de machtiging. En is bewijs voor een onrechtmatige daad!

Monitoren
Door de bovenstaande gegevens eenduidig en consequent te verzamelen ontstaat de mogelijkheid om een oordeel te geven omtrent de effectiviteit van de beheermaatregelen. Bovendien kunnen deze uitgewisseld worden met belanghebbenden ten einde een goed onderbouwd faunabeheer te hebben en te houden.

Terugkerende cyclus
Op basis van de gegevens wordt een faunabeheerplan gemaakt, door de provincie goedgekeurd en volgens dat plan uitgevoerd. De gegevens die gedurende de uitvoering worden verzameld vormen de basis voor de jaarlijkse evaluatie of het gevoerde beheer tot het gewenste doel leid. En  of het plan moet worden bijgesteld. Vanaf die eerste evaluatie begint de cyclus van plannen, uitvoeren, registreren en evalueren weer opnieuw. Die cyclus staat of valt bij een goede en consequente registratie van gegevens. Het plan voorkomt zo ellen lange procedures omdat het voortdurend wordt verbeterd. Met een goed fauanbeheer leggen jagers verantwoording af over het gevoerde beheer aan hun omgeving en de maatschappij.

Voor een doelmatig en efficiënt beheer van in het wild voorkomende diersoorten (fauna) wordt een faunabeheerplan opgesteld om tot een evenwichtige stand van diersoorten in een bepaald gebied te komen. Zo'n faunabeheerplan bestrijkt meestal enige jaren. Bij de planvorming wordt rekening gehouden met de belangen van landbouw, tuinbouw, bosbouw, natuurbeheer en recreatie. Het beheer van reeënpopulaties vormt een onderdeel van zo'n faunabeheerplan.

Dit faunabeheerplan dient gebaseerd te zijn op hedendaagse biologische inzichten. Speciale aandacht wordt onder andere besteed aan beschermde diersoorten zoals reeën en hoe daar mee om wordt gegaan. Dat deel wat over het beheer van de reeënpopulatie gaat heet het reeënbeheerplan. Dat deel wordt nogal eens verward met het afschotplan. Hierover mag echter geen twijfel bestaan. Het afschot en daarbij behorende plan is slechts één deel van de beschikbare middelen om het gestelde doel voor reeën te realiseren en dus slechts een uitwerking van het fauna- en reeënbeheerplan.

In een faunabeheerplan staan volgens de Flora- en Faunawet art. 10 Besluit faunabeheer:

  • Een aanduiding van de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid
  • Een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied is aangegeven
  • Kwantitatieve gegevens over de populatie, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties gedurende het jaar
  • Onderbouwing van de noodzaak tot beheer, waarbij wordt aangegeven welke belangen worden geschaad indien niet tot beheer zal worden overgegaan
  • Beschrijving van de mate waarin deze belangen de afgelopen vijf jaar zijn geschaad
  • De gewenste stand van de populatie
  • Beschrijving van de aard en omvang van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel 6, te bereiken
  • Per gewas een beschrijving geven van de handelingen die de afgelopen vijf jaar zijn verricht om de schade als bedoeld in onderdeel 5, te voorkomen en een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen
  • Een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken diersoort alsmede van de mogelijkheid van uitwisseling met aangrenzende terreinen
  • Een beschrijving van de plaatsen waar en in welke perioden van het jaar waarin de in g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden
  • De mogelijkheid om gebruik te maken van een aan de FBE verleende ontheffing voor jachthouders die niet bij de FBE zijn aangesloten
  • Een inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel 7 bedoelde handelingen
  • Een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald

Bovenstaande dient dus onderdeel te zijn van het reeënbeheerplan en is de basis voor het, eventueel, reguleren van het aantal reeën door leden van wildbeheereenheden.

Motivatie voor beheer
Voor elke faunabeheereenheid, leefgebied of WBE kan een reeënbeheerplan worden opgesteld. Het gaat om het gefundeerd beheer invloed uitoefenen op deze beschermde diersoort. Maar beter is het een plan te maken voor de hele populatie in een leefgebied en dit te vertalen naar lokale omstandigheden. Uit welke onderdelen moet een reeënbeheerplan zijn opgebouwd om in de praktijk goed te kunnen functioneren?

De doelstelling zal in de regel luiden:
'Het instant houden van een gezonde reeënpopulatie die wat betreft aantal en samenstelling zoveel mogelijk overeenkomt met de draagkracht van het terrein.'

De eisen die aan een faunabeheerplan worden gesteld moeten in het reeënbeheerplan volledig worden uitgewerkt. Je kunt daarbij denken aan gegevens die een overzicht geven van de situatie toen, het beheer, de aantallen, de geslachtsverhouding enz.. Vervolgens geef je een omschrijving van de draagkracht van het terrein en hoe die is bepaald. Tenslotte beschrijf je hoe de situatie nu is en wat er ten opzichte van vroeger eventueel is veranderd. Je kunt daarbij denken aan sterk gewijzigde invloeden zoals grondgebruik in de landbouw, ruilverkavelingen, landschappelijke beplantingen, enzovoorts. Handig is het om een goede actuele kaart van de werkgebieden toe te voegen aan het beheerplan.

Daarna kan men de visie voor de toekomst vermelden. Wat moet of kan er veranderen met het oog op de doelstellingen. U gaat een plan van actie opnemen en omschrijven op welke wijze en door wie de resultaten van het beheer worden vastgelegd en beoordeeld. Tenslotte is het goed om te vermelden voor welke periode het beheerplan geldig is, en hoe het eventueel kan worden bijgesteld.

Het beheer van reeënpopulaties naar een draagkrachtmodel past goed in moderne opvattingen over beheer van wilde diersoorten. Bij het draagkrachtmodel wordt uitgegaan van een evenwichtssituatie tussen de benodigde leefomstandigheden en het aantal reeën in een gebied. Dit evenwicht wordt door een aantal factoren zoals geboorte, sterfte en migratie bijgesteld. Voor een gefundeerd reeënbeheerplan moet men beschikken over een aantal gegevens zoals het voedselaanbod, dekking, rust het aantal reeën in het gebied, hun verspreiding, hun voortplantingssnelheid en de conditie van de dieren. Deze informatie wordt verkregen door een aantal inventarisaties uit te voeren en kunnen leiden tot beheermaatregelen zoals bijvoorbeeld zetten of verwijderen van afrasteringen en/of tot een afschotplan.

We geven u graag in overweging ons een bijdrage te schenken

U kunt uw bijdrage overmaken op bankrekeningnummer
NL88 RBRB 0706 6041 64
t.n.v. Kenniscentrum Reeën te Vorden
of via
PayPal, de veilige en complete manier van online betalen.

Share


www.over-reeen.nl
0575-556717
Prins Clauslaan 6
7251 AS te Vorden, Nederland

ContactTwitterFacebook
Bank: NL88 RBRB 0706 6041 64
KvK-nr: 58588892

Logo Kenniscentrum Reeën

Cookies instellen