Kenniscentrum Reeën

Reeën komen in ons land in vrij grote aantallen voor. Het zijn prachtige dieren met ieder exemplaar zijn eigenschappen. Toch is het voor het behoud van de soort beter de reeën te zien als een groep dieren van dezelfde soort die zichzelf instant probeert te houden en in een leefgebied. Die groep reeën in het leefgebied vormt de populatie. De reeën-,reewildstand, dichtheid of -populatie is het aantal dieren dat in een gebied leeft. Bijvoorbeeld: Er leven 12 reeën in dit bosperceel. We spreken altijd over het aantal reeën per oppervlakte-eenheid.

De geschatte reeënpopulatie in Nederland is, in 2010, 70.000 dieren geweest. Daarna is de wijze van omgaan met de aantallen reeën veranderd. Totdat moment is, circa 100 jaar, kennis over reeën gebruikt om de populatie te beheren. Zo vindt in de populatie aanwas en sterfte plaats. Die maken dat de populatie groeit, blijft bestaan, terugloopt of zelfs uitsterft. Met name de geslachtsverhouding is van grote invloed op de jaarlijkse groei van de populatie, de aanwas.

Tegenover aanwas staat de sterfte. De oorzaken van sterfte onder reeën zijn meestal verkeer, verdrinken, maaien, stroperij, afschot, ziektes en ouderdom. In gebieden met hoge dichtheden van wilde hoefdieren zijn het de reeën die het eerst verdwijnen/migreren of sterven. Reeën zijn heel gevoelig voor verstoring en onrust in hun omgeving. Zij sterven zelfs door die stress. Die gevoeligheid voor verstoring en onrust is ook de oorzaak van de verspreiding van reeën in Nederland met als indirect gevolg de enorme toename van de soort.

Grafiek: Aantalsontwikkeling reeën Nederland
Jaar 1930 1960 1980 2003 2006 2008 2010
Aantal voorjaar 3.000 15.000 25 - 30.000 > 56.000 > 61.000 > 64.000 > 70.000
Verwachtte aantal jonge dieren 1.500 7.500 12 - 15.000 > 28.000 > 30.500 > 32.000 > 35.000

Schattingen van het aantal reeën en verwachtte aantal jonge dieren in Nederland:bron: o.a. KJV; WBE-databank

De beheerders probeerden, tot 2011, exact te bepalen hoeveel reeën er in het voorjaar waren en op basis daarvan de aanwas te bepalen. Vanaf 2011is men het beheer gaan doen op basis van trendtellingen. Een landsdekkende exacte telling is vanaf dat moment niet meer, openbaar, bijgehouden. Provincies zijn vanaf dat moment verantwoordelijjk voor het vastleggen van de benodigde informatie.

Wat men nog heeft gedaan is een correctie uitgevoerd voor de jaarlijkse aanwas/sterfte. Totdan was het 'normaal' de dieren die gedurende het jaar stierven niet te vermelden als deel van de populatie. Bij vragen over de reeënpopulatie hanteert men de voorjaarsstand van 2010 plus de aanwas. Men kwam daarbij op circa 100.000 exemplaren.

Het gevolg van het loslaten van de voorjaars- en jaarrondtellingen is dat wij, natuurkenners en -beheerders van Nederland, nu voortdurend opzoek zijn naar statistisch verantwoorde indicaties dat het aantal reeën stijgt of daalt.