Kenniscentrum Reeën

Het aantal reekalveren dat een jaar na geboorte nog leeft noemen we de aanwas. Als de omstandigheden goed tot perfect zijn is de aanwas gelijk of groter dan de sterfte. Andersom als er meer reeën sterven dan er geboren worden zijn de omstandigheden slechter geworden en loopt de populatie gevaar. Daarbij moeten we in acht nemen dat er diverse factoren zijn die dit, ook tijdelijk, kunnen veroorzaken.

De directe invloeden op de aanwas van reeën zijn:

  • de geslachtsverhouding tussen reebokken en reegeiten
  • de verhouding tussen volwassen reegeiten, tweejarige reegeiten en reegeitkalveren
  • de leeftijdsopbouw onder de reegeiten

Daarnaast wordt de aanwas bepaald door de geboorte van reekalveren. Deze geboorte wordt bepaald door de conditie van de reegeit tijdens de draagtijd. En die conditie wordt beïnvloed door de voedselsituatie en beschikbare rust. Slecht voedsel of te weinig rust om te herkauwen zorgen indirect voor een zwakke conditie of zelfs het sterven van de embryo's.

De aanwas kan geschat worden op basis van het aantal geslachtsrijpe reegeiten of het geschatte aantal van alle vrouwelijke reeën aanwezig op één april. Het schatten van het aantal geslachtsrijpe reegeiten is veel moeilijker als het schatten van het aantal vrouwelijke reeën. Zo moeilijk dat de geschatte aanwas op basis van geslachtsrijpe reegeiten minder betrouwbaar is als die op basis van alle reegeiten.

Onder geslachtsrijpe reegeiten vallen de reegeiten die een jaar of ouder zijn. De eenjarige reeën zijn zelden in het eerste jaar geslachtsrijp en krijgen dus geen kalveren. De eenjarige reeën zijn al wel vruchtbaar en krijgen in het tweede jaar vaak één kalf en soms twee kalveren. Die reeën worden de smalreeën genoemd. Tenslotte krijgen de oudere reegeiten vaak twee, soms drie of één kalf.

Uit onderzoek is gebleken dat de aanwas in de natuur per reegeit ongeveer uitkomt op één reekalf. Meer precies blijkt dat de jaarlijkse aanwas varieert tussen zeventig en honderdvijftig procent van de bevruchte reegeiten. Van die aanwas is ongeveer de helft reebokkalveren en de andere helft reegeitkalveren. Tien bevruchte reegeiten kunnen, per jaar, dus tussen de zeven en vijftien kalveren krijgen vooral gestuurd door leeftijdsopbouw in de populatie. Zie voor effecten op de aanwas van reeën door de geslacht- en leeftijdsverhouding onderstaande tabel. Daar in wordt steeds uitgegaan van tien aanwezige reeën.

Situatie

Aanwezige reeën

 

 

Aanwas

 

volwassen
geit:bok

tweejarig
geit:bok

kalf tot tweejarig
geit:bok


geit:bok

A

8:2

0:0

0:0

8:8

B

5:1

2:0

1:1

6:6 tot 7:7

C

3:2

1:1

2:1

4:3 tot 4:4

U ziet dat leeftijdsopbouw naast de geslachtsverhouding grote invloed heeft op de aanwas. U ziet dat zowel bij een verschuiving in leeftijd van de reegeiten, als in geslachtsverhouding in het voordeel reebokken, het aantal geboren reekalveren afneemt.

Bij nadere bestudering zult u zich afvragen; als er in een jaar zeven tot acht reekalveren geboren worden waarom staan er dan onder 'kalf tot tweejarig' maar enkele exemplaren. De  sterfte in de eerste twee levensjaren heeft grote invloed op het aantal reeën dat volwassen wordt. Het aantal in de groep kalf tot tweejarigen heeft op de geboorte van het aantal reekalveren zeer weinig invloed. In het voorbeeld hebben we daarom het aantal laag gehoud.

Verhoudingen in geslacht en leeftijd bepalend
Met name de verhouding tussen reegeiten die wel en die geen of weinig reekalveren krijgen is van grote invloed op de aanwas. Als in april de geslachtsverhouding één reebok op vier volwassen reegeiten is geeft dat gemiddelde in juni acht kalveren. Is de verhouding één reebok op één volwassen reegeit met één reebokkalf en reegeitkalf en één smalree dan komen er gemiddeld drie kalveren. Is de verhouding één reebok op één volwassen reegeit, één reebokkalf, één reegeitkalf en een één jarige reebok (jaarling) geeft dit twee kalveren.

U ziet dat de verhouding in geslacht en leeftijd een enorme invloed heeft op de reproductie van de dieren. Een andere invloed op de aanwas heeft de dichtheid ten opzichte van de natuurlijke draagkracht. Bij een hoge dichtheid ten opzichte van die draagkracht neemt de sterfte onder het aantal reekalveren toe. In Nederland vindt dit alleen plaats in afgesloten gebieden.

Grafiek: Logistische groeicurve

De logistische groeicurve is het resultaat van een statistische benadering van de telgegevens. Het resultaat laat in een grafiek dat het aantal reeën dat geteld is toenam en op enig moment gelijk bleef. Een normale populatie ontwikkeling.  Ook het veranderen van omstandigheden kan na verloop van tijd worden gezien. Dat kan zijn een toename of een terugval. Deze zal op enig moment weer leiden tot het gelijk blijven van de voor die omstandigheden maximum dichtheid.

Met deze methode kan gedurende beheerperioden van minstens tien jaren, gekeken worden hoe de populatie zich ontwikkeld. Daarnaast kan gekeken worden naar de verschijnselen en doelen die men nastreeft. Denk bij die doelen aan meer of minder schade, meer of minder verkeersslachtoffers of meer of minder dierenwelzijnsproblemen. Indien daar ongewenste effecten optreden kan men overwegen de huidige invloeden op reeën aan te passen.

Hoe onbetrouwbaarder het vastleggen van gegevens hoe langer tijd nodig isom conclusies te trekken. Het kan zelfs zijn dat helemaal geen conclusies kunnen worden getrokken. Toepassen is een risico voor kwetsbare soorten in lage dichtheden.

Belangrijk is dat we jaar in jaar uit op dezelfde wijze de reeën tellen en het afschot registreren en de verschijnselen monitoren.

Indien u deze analysemethode wenst toe te passen raden we u aan contact op te nemen met dhr. Rik Schoon is adviseur bij Natuurlijk! Fauna-advies B.V.