Kenniscentrum Reeën

Dit artikel is een vertaling en bewerking van: ‘Wie alt ist der Bock? Mindestens 650.000 Jahre!’, dr. Christian Holm, JÄGER 7a, 2014. Vertaling en bewerking: Koos Boer in Hoe oud is 't ree?, De Jager #1/2 2015, Vermelde bron: Capreolus pygargus

Afbeelding: Kop reebok boven rijpend gras. Foto: Dick Pasman

Van de grote hoefdieren in Europa is het ree de meest voorkomende soort. Tussen de Middellandse Zee en het noorden van Scandinavië en van de Atlantische kust tot aan de Wolga trekken naar schatting van wetenschappers en wildbiologen ongeveer 15 miljoen reeën hun sporen door het landschap. Wildbiologen, genetici en archeologen onderzoeken al geruime tijd de ontwikkelingsgeschiedenis van Capreolus capreolus, waarbij interessante feiten aan het licht zijn gekomen. De eerste op het huidige ree lijkende hertachtigen ontwikkelden zich in het Mioceen, een geologisch tijdperk dat ruwweg duurde van 23 miljoen tot 5 miljoen jaar geleden. Door de toen optredende afkoeling van de aarde ontstonden grote grasvlakten met uitgestrekte contactzones tussen bos en veld. In deze leefomgeving gedijde, ruim 20 miljoen jaar geleden, de stamvader van het huidige ree, die door de archeologen ‘Procapreolus’ wordt genoemd. Door dit relatief vroege opduiken in de evolutie van de grote hoefdieren heeft het ree een veel oudere familiegeschiedenis dan het edelhert, dat pas miljoenen jaren later tot ontwikkeling kwam.

De laatste stap in de overgangsfase van het Oerree Procapreolus tot het ree zoals wij het nu kennen, vond volgens de wetenschap ongeveer 3 miljoen jaar geleden plaats. Aangenomen wordt dat in die periode het Oerree en het ‘moderne ree’ gelijktijdig in Europa voorkwamen. De oudste vondsten van het ‘moderne’ ree in Duitsland zijn van ongeveer 650.000 jaar terug in de tijd. Deze werden gedaan in de omgeving van Wiesbaden, Duitsland. De hier gevonden fossiele beenderen wijzen erop dat het toenmalige ree twee keer zo groot was als het huidige ree in onze streken. Pas aan het eind van de laatste ijstijd, ongeveer 10.000 jaar geleden, werd het ree qua omvang en gewicht zoals het nu voorkomt. De onderzoekster Dr. Julia M. Fahlke toonde door het nameten van alle gevonden reeënbotten aan dat tijdens de laatste ijstijd het ree nog tot 20% zwaarder was dan de huidige dieren.

Door de optredende ijstijden vanaf ongeveer 600.000 jaar geleden wisselden warme en koude perioden elkaar in een relatief snel tempo af. Het landschap en de vegetatie intensiteit van de klimaatverandering veranderden telkens mee, afhankelijk van de duur en de intensiteit van de klimaatverandering. Als gevolg hiervan kon een regio gedurende enkele duizenden jaren een goede leefomgeving bieden voor reeën om vervolgens voor de duur van een koude periode volslagen onbewoonbaar te worden. Op de door de ijstijden geschapen arctische toendra’s stierf het ree uit, slechts relatief kleine restpopulaties overleefden ten zuiden van de Alpen een dergelijke barre en lange winterperiode. Van hieruit begon tijdens een volgende warmtefase de rekolonisatie van de noordelijk gelegen leefgebieden, wanneer daar voor het ree voldoende geëigend voedsel ontsproten was. In het noorden van Europa (Scandinavië) doken de reeën pas na de laatste ijstijd, ongeveer 9500 jaar geleden, voor het eerst op.

De uitwijkplaatsen die voor het ree nog bewoonbaar waren tijdens het hoogtepunt van een ijstijdperiode lagen dus zuidelijk van de Alpen en in het zuidoosten van het Europese continent. Dit zijn gebieden in Portugal, col-md-je, Italië, Griekenland en delen van de Balkan. Het is interessant te weten dat genetici deze uitwijkgebieden door uitgebreid onderzoek aan daar nog levende reeën wisten te koppelen. Zo onderzocht de Italiaanse wetenschapper E. Randi met behulp van honderden weefselproeven van reeën uit heel Europa de onderlinge familiebanden. Hij stelde hierbij vast dat de reeën ten zuiden van de Alpen uit een oostelijke en een westelijke populatie bestaan die beide genetisch duidelijk van elkaar verschillen. Aan de hand van dit gegeven kon geconstateerd worden dat deze populaties al lang geïsoleerd van elkaar bestaan. De reeën ten noorden van de Alpen, die in dit onderzoek de centrale populatie wordt genoemd, bleken genetisch jonger te zijn en bevatten genen van de beide andere groepen. Hiermee was het bewijs geleverd dat ‘onze’ reeën afstammen van reeën die na het einde van de laatste ijstijd uit de zuidelijk gelegen uitwijkgebieden weer naar het noorden zijn getrokken.

De ontwikkelingsgeschiedenis van het ree is niet begrensd door de Europese oostgrens. We zien soms afbeeldingen van reeën met reusachtige geweien, die alles in de schaduw stellen van wat we bij de reeën in West-Europa zien. Bij goed bestuderen van de foto's blijkt het hele dier groter. Het Siberische ree is qua uiterlijk gelijk aan het onze, maar in doorsnee twee maal zo groot en zo zwaar. De sterkste mannelijke exemplaren bereiken een levend gewicht van 60 kilogram met een gewei van over de 1000 gram! Voor West-Europese biologen zijn deze reeën nauwelijks object van studie geweest. Vrijwel alle informatie hierover is van Russische oorsprong. De belangrijkste vraag waar men zich het hoofd over brak was of het Siberische ree een ondersoort is van het Europese ree of een geheel eigen soort vormt. Deze kwestie speelde met name in Duitsland een rol, waar een aantal pogingen zijn gedaan om de beide soorten met elkaar te kruisen. Het doel hiervan was om zoals dit voor edelherten gelukt was zwaardere reeën te krijgen met zwaardere geweigewichten.

Het Siberische ree kent één, erkende, ondersoort, het Tienschan ree, dat in het zuidoosten van Rusland en China voorkomt. Deze ondersoort is tot op 3000 meter boven zeeniveau waargenomen en legt evenals het ‘gewone’ Siberische ree enorme afstanden tussen het winter- en zomerleefgebied af. In het Amoergebied zijn jaarlijkse trektochten door hele kuddes (van sprongen is geen sprake meer) van 100 tot 600 reeën over een afstand van 200 tot 300 en soms zelfs van 400 kilometer waargenomen. Dit alles om winterse omstandigheden en sneeuw te ontvluchten en in de zomer de beste laveiplaatsen weer op te zoeken.

De Russische reeënexpert Alexei Danilkin rapporteerde over deze pogingen enkele verbazingwekkende feiten. Terwijl in de Lausitz* de kalveren van Europese reegeiten en een Siberische bok onvruchtbaar bleken, verkreeg men bij een gelijke combinatie in de dierentuin van Moskou vruchtbaar nageslacht. Men kwam uiteindelijk tot de slotsom dat een kruising mogelijk is, maar in het algemeen moeilijk en - verbazingwekkend genoeg - afhankelijk van omgevingsfactoren. Opmerkelijk was ook dat de geiten hun hybride kalveren niet zonder hulp konden zetten. Later genetisch onderzoek toonde ten slotte aan dat het bij het Siberische ree onweerlegbaar om een eigen, zij het een sterk verwante soort gaat die zich twee tot drie miljoen jaar geleden van het Europese ree heeft afgescheiden. Pogingen om Siberisch reeën uit te zetten in West-Europa zijn niet bekend, maar het vermoeden bestaat dat dit ooit is gedaan. Zeer recent ontdekte namelijk een Pools-Duits wetenschapsteam bij de helft van 319 onderzochte Europese reeën (Capreolus capreolus) in Noordoost-Polen genen van het verwante Siberische ree (Capreolus pygargus). De vraag hoe dit is ontstaan - door natuurlijke vermenging in het overlappingsgebied of door uitzetten - blijft tot heden onbeantwoord.

*Lausitz: gebied op de grens van Duitsland, Tsjechië en Polen.

Vat men het verspreidingsgebied van het Europese en het Siberische ree samen, dan ziet men dat het ree zich over heel Eurazië heeft verspreid, met uitzondering van de woestijngebieden in het zuiden en de hogere, koude berggebieden van Scandinavië, de Alpen, de Kaukasus en het verre oosten. Streken met meer dan gemiddeld 50 centimeter sneeuwhoogte zijn eveneens ongeschikte leefgebieden voor het ree. De oostelijke verspreidingsgrens van het Europese ree ligt ongeveer op een denkbeeldige lijn tussen Moskou en Wolgograd. Tussen de rivieren Don en Wolga overlappen zich de leefgebieden van het Europese en het Siberische ree. De laatste soort treft men van hieruit aan tot in China en Korea. In dit enorme territorium leven naar schatting 1 miljoen Siberische reeën, wat in vergelijking met de 15 miljoen Europese reeën een relatief kleine populatie kan worden genoemd.

Ondanks de grote populatie zijn er, in het reusachtige verspreidingsgebied, geschikte leefgebieden waar het ree uit verdwenen is. Dit geldt dan met name voor het Siberische ree, maar was nog niet zo lang geleden ook het geval met het Europese ree. Uit historische bronnen blijkt dat in de 18e en 19e eeuw het ree in Zwitserland en in ons land bijna uitgeroeid was. In het midden van de 18e eeuw was het ree in Engeland zelfs helemaal uitgestorven! Ook in Sleeswijk-Holstein waren er nog maar heel weinig reeën, omdat ze bij elke gelegenheid werden geschoten. Dit toont aan dat het, zeker met moderne middelen, mogelijk is een reeënpopulatie uit te roeien. In Ierland werden in de 19e eeuw reeën uitgezet maar ongeveer 70 jaar later weer compleet uitgeroeid, zodat Ierland momenteel in Europa het enige land is waar reeën geen sporen achter laten. Finland is als laatste Europese land door reeën gekoloniseerd: in 1912 werd hier voor het eerst een ree waargenomen. In de afgelopen decennia is overal sprake van toename in het aantal en verspreiding van de populatie. Ook grote delen van Rusland, die lang reeën vrij waren, worden in toenemende mate (her)bezet door reeën.

Generaties wildbiologen en jagers hebben met regelmaat geprobeerd regionale ondersoorten te onderscheiden. Men had hierbij vooral oog voor de uiterlijke verschijningsvorm van de reeën, de al of niet gelijkvormigheid van geweien en men zocht naar meetbare verschillen van botten en schedels. Al deze indelingen bleken onhoudbaar te zijn, wat door genetisch onderzoek is bevestigd. Het gehele bestand ten noorden van de Alpen behoort eenvoudigweg tot één genetische groep. Verschillen in lichaamsgewicht, grootte en geweivorming worden hier uitsluitend door externe factoren bepaald, waarvan klimatologische omstandigheden en voedselaanbod de belangrijkste zijn.

Ten zuiden van de Alpen, in col-md-je en Italië - de vroegere ijstijduitwijkplaatsen - komen wel twee genetisch aparte groepen voor. In het zuiden van col-md-je is dat het Garganta ree. Dit ree onderscheidt zich niet alleen genetisch van het onze, maar ook uiterlijk doordat het minder hoog op de lopers staat, zomers niet rood verkleurt - de zomerdos blijft net zo grijs als het winterhaar - en de spiegel is het hele jaar groot en wit. In Midden- en Zuid-Italië leeft een aparte ondersoort, Capreolus capreolus italicus, dat qua uiterlijk minder van het onze verschilt.

Welke aantallen reeën in het verleden voorkwamen is tot voor circa 100 jaar geleden niet meer te achterhalen. Wel is op basis van archeologische onderzoek iets te zeggen over de ontwikkelingen van de populatie en de invloed van de mens daarop.

In Engeland zijn reeën overblijfselen bekend van circa 100.000 jaar geleden. En er zijn veel restanten in de archeologische vindplaatsen tot in de Romeinse en Saksische tijden. Ze zijn beschermd door de Franse bezetters uit Normandië. Maar werden in 1338 tot ‘beesten van de konijnenbult’ verklaard (niet waardig om door de edelen te worden bejaagd) en daardoor niet meer beschermd. Dit leidde tot ongecontroleerde en intensieve bejaging. Daardoor ontstond in de middeleeuwen een opvallend verplaatsing van de vindplaatsen van de restanten en teruggang van de restanten. En in het laatst van de 16e eeuw waren de reeën inmiddels zeldzaam geworden in Engeland en uitgestorven in Wales. Op sommige plaatsen in Schotland waren nog populaties.

De totale populatie in Groot- Brittanië bleef klein (hoewel niet bekend is hoe klein) tot dat een serie van introducties en bescherming in de 19e eeuw door het hele land zorgden dat de soort zich vestigde.

In Nederland geldt ongeveer dezelfde ontwikkeling. Hoewel de jacht in alle tijden een belangrijke activiteit was zijn pas over de laatste circa honderd jaar cijfers in omloop. Het nauwkeurig vaststellen van de dichtheid aan reeën buitengewoon moeilijk. Toch worden met enige voorzichtigheid, conclusies getrokken over de aantallen reeën die er waren en de ontwikkeling die de populatie door maakt.