Kenniscentrum Reeën
Kenniscentrum Reeën

Jaarlijks sterft in Nederland circa 95% van de aanwas reeën. De reeënpopulatie wordt beschermd, geteld en beïnvloed door te doden. Zowel het dood laten gaan als actief doden door mensen noemen we sterfte.

De reeëndichtheid in Nederland komt dichtbij de in natuurlijke omstandigheden vastgestelde reeëndichtheid 14 reeën per 100 hectare habitat. Voor veel gebieden is het maximum reeën waarschijnlijk al bereikt. De dieren lijken zich namelijk aan te passen aan de hoge dichtheid. Zij worden vaker gezien, verdragen de aanwezigheid van mensen en ontwikkelen zich tot veldreeën. Daarbij komen zij vaker in contact met bijvoorbeeld verkeer, kunstmatige steile oevers, werkzaamheden, stroperij.

Bijna nergens in Nederland is de natuur, hun leefomgeving, alleen maar voor reeën. Dat wil zeggen alle gevaren zijn afgewend en de reeën kunnen gemakkelijk de maximum leeftijd halen. Overal loert concurrentie van de mens of andere dieren. Zelfs daar waar men de natuur haar gang laat gaan.
Er zijn momenten geweest dat het ree heer en meester was in extreem goede omstandigheden. Dat is geweest toen Nederland nieuw land heeft gewonnen in het IJsselmeer. Reeën haalden toen maximum gewichten, al in het tweede jaar jongen en jaar op jaar ‘kapitale’ geweien. Dat werd snel minder toen het gebied volledig bezet was door de reeën en bovendien de mens het gebied in gebruik nam. De aantallen namen nog toe maar hoogtepunten werden niet meer gehaald.

Daar waar passief beheerd wordt, de natuur z’n gang mag gaan en andere dieren concurrenten worden is reeëndichtheid erg laag, er zijn maar sporadisch reeën. Zij gaan dood of worden weg geconcurreerd. Weg betekent in Nederland, verhuizen, migreren, opzoek gaan naar een gebied waar de concurrentie minder is. Net zo lang tot dat gebied gevonden is.
In de bossen buiten de nieuwe wildernissen is zo’n plekje snel gevonden. Daar lopen de grootste en sterkste dieren in de beste leefomstandigheden. Daar ontstaat steeds opnieuw ruimte voor reeën omdat daar dieren worden gedood.

In Nederland komt het eten van reeën door andere grote dieren relatief weinig en zeer lokaal voor. Deze predatie van reeën is slechts beperkt tot (jonge) reekalveren en verzwakte volwassen dieren die door vossen, dassen en wilde zwijnen worden gevonden. De predator met de grootste invloed op de reeënpopulatie is de mens. En zelfs inclusief die sterfte door de mens neemt de hoeveelheid reeën in Nederland toe. Door het steeds beter samenleven met reeën.

Daarnaast doden ziekten, parasieten en predators een deel van de populatie. De grootste predator is de mens. Zowel met het verkeer en het geweer. Ter voorkoming van aanrijdingen en schade doden wij namelijk reeën. Weren we de invloed van verkeer met bijvoorbeeld wildspiegels en rasters neemt het aantal doden door de andere oorzaken toe.

De wintersterfte onder hoefdieren in de gematigde en poolstreken is een natuurlijk fenomeen en komt ook onder reeën voor. Uit onderzoek door R.Putman en P.Green onder Edelherten zijn een aantal oorzaken en gevolgen vastgesteld die mogelijk ook voor reeën gelden. Het onderzoek bevestigde in de eerste plaats dat wintersterfte veel voorkomt. Het ene jaar meer dan het andere, maar je ziet het ieder jaar weer.

Sommigen zien een gebrek aan voedsel als oorzaak, maar dit is vaak niet zo. Zou dit het geval zijn, dan zouden goed doorvoede en gezonde dieren blijven leven, maar deze sterven ook. Er zijn twee pieken in het sterven in de winter te onderscheiden:

Een piek na het invallen van grote koude
De dieren krijgen dan, vooral bij gebrek aan dekking, snel een te lage lichaamstemperatuur (hypothermie). Dit komt ook voor bij doorvoede dieren, de snelle temperatuurwisseling laat onvoldoende tijd om het opgeslagen lichaamsvet om te zetten in energie. Deze sterfte treedt voornamelijk op tijdens periodes met veel kou.

Afbeelding: Reegeit in besneeuwde grassen en struiken

(Je kunt het vergelijken met wanneer iemand lange tijd in koud water verblijft. Als gevolg van de voortdurende koeling volgt de dood, ook bij goed doorvoede mensen)

Tegen deze sterfte zou het creëren van voldoende dekking al een heel stuk helpen. De struiken en boscages helpend dieren hun warmte te reguleren. In gebieden met veel sneeuw gaat de bescherming van bijvoorbeeld heide en andere struiken vaak verloren door dat deze ondersneeuwen. De reeën die al dan niet gedwongen worden om permanent in het open veld te leven (veldreeën) zijn hiervoor het meest gevoelig. In Nederland komt zowel de extreme temperatuurwisseling als het onder gesneeuwd raken van de dekking echter zelden voor.

Een piek na de winter, maart en april
Alle vetreserves zijn dan bij de dieren die de winter overleefd hebben, inmiddels wel verbruikt en het aanbod van vers voedsel is nog minimaal en van slechte kwaliteit. Omdat het vet verdwenen is wordt het eiwit in de spieren aangesproken. De dieren zijn ondanks hun wintervacht, zichtbaar vermagerd en sterven uiteindelijk. De dieren schakelen in die periode van lage energiebehoefte naar hoge energie behoefte en bij gebrek aan goed voedsel teren zij versneld in op hun reserves. Vooral veel wind en regen kosten energie. Een wind van 10 km/uur kost vanwege het voorkomen van warmteverlies 2,5x meer energie voor de dieren als bij geen wind. Ook hier is een dekkingsmogelijkheid weer erg belangrijk.

Conclusies op basis van het onderzoek aan Edelherten:
Er gaan in Nederland meer dieren dood door verbruik van vetreserve voordat ander voedsel beschikbaar komt. Ook in een normaal biotoop komt wintersterfte voor. Belangrijk is wel dat de dieren een vetreserve kunnen opbouwen. Die is dichtheidsafhankelijk en bepaalt de hoogte van de relatieve sterfte.

Kun je hier deze sterfte uitdrukken in een percentage van de stand? De relatieve sterfte blijft bij gelijke vetreserve ongeacht de dichtheid min of meer gelijk. Afschot in de periode met sterfte is bij volwassen dieren geen oplossing. Afschot voorafgaand aan of bijvoeren in de periode dat vetreserves worden opgebouwd heeft enkel zin als je er tijdig mee begint. Hebben de dieren hun reserves al aangesproken en zijn zij al verzwakt, beïnvloedt de maatregel de sterfte niet meer. Dan kost het meer energie om het aangeboden voedsel in vet om te zetten dan dat het energie oplevert. Bijvoeding komt terecht bij dieren die daar het minst om verlegen zitten. Abrupt overschakelen van voedselpatroon is bovendien schadelijk en kost veel aanpassingsvermogen voor maag en darm. Daarnaast gaan door het aanbieden van alternatief voedsel de dieren minder snel op zoek naar ‘eigen’ natuurlijk aanbod.

Als men de wintersterfte wil beïnvloeden is het dus noodzakelijk om de stofwisseling rond vetreserves te optimaliseren. Dat kan door tijdig beschikbaar stellen van voedsel en verminderen van de verbranding door dekking tegen kou en rust.

Sterfte in de reeënpopulatie begint al tijdens de draagtijd. Voor de geboorte, na de bevruchting en tijdens de groei van de vrucht bepalen de gezondheidstoestand, conditie van de reegeit de groei van de vrucht(en). De omstandigheden bepalen of de aanwezige bevruchte eicellen, vaak twee soms drie, zich gaan ontwikkelen en hoe deze zich gaan ontwikkelen. Niet elke vrucht wordt een reekalf. De reegeiten bepalen de aanwas en wat de gezondheidstoestand, conditie van de geboren reekalveren is.

In het voorjaar sterven de meeste reekalveren aan de combinatie slecht weer en belagers, in het najaar volgt een tweede piek. Uit onderzoek komt naar voren dat er meer sterfte plaatsvindt onder de reebokkalveren dan onder reegeitkalveren. De exacte verklaring daarvoor heeft men niet kunnen achterhalen. Mogelijk zijn reebokkalveren minder behoedzaam, waardoor zij eerder slachtoffer worden van bijvoorbeeld predatoren.

Als één van de belangrijkste oorzaken van sterfte in de winter en het vroege voorjaar wordt vaak de voedselsituatie in de winter en het vroege voorjaar genoemd. Met name veel reserves verbruiken in perioden waarin weinig vocht bereikbaar is kan leiden tot wintersterfte.

Na de winter worden de jonge dieren geboren en start het nieuwe leven met kans op sterven.