Laad de speler: Video - Sporen zoeken van reeën
http://www.over-reeen.nl/Portals/0/video/spoor_zoeken_reeen_256.jpg Staatsbosbeheer Drenthe bericht over sporen van reeën
06-05-2014

Het ree laat op verschillende manieren sporen achter. Zo zijn er:

Prenten
De aan één schakeling van prenten, afdrukken van de hoeven in de grond, vormen één van de aanwijzingen voor het aanwezig zijn van reeën. Aan het patroon, de vorm, de afdruk en de grootte van de prent kun je zien of er een volwassen ree of een kalf heeft gelopen of gerend.

Vegen en krabben
De reebok markeert, veegt en krabt, in de loop van het voortplantseizoen in zijn territorium aan bodem en planten zoals struiken en bomen. De veegplekken ontstaan doordat reebokken veelvuldig met hun gewei langs de objecten wrijven of deze tussen de geweistangen nemen en er vervolgens mee 'slaan'. En de krabplaatsen. niet te verwarren met ligplaatsen, ontstaan door krabben met de voorlopers. Zowel het vegen als het krabben zijn een vorm van markeren van het territorium (vlag planten).

Geur
Tijdens het lopen en krabben in de grond wordt een geurstof uit de geurklieren aan de poten naar buiten geperst waardoor een reukspoor wordt gevormd waaraan elk ree individueel te herkennen is. Daarnaast bevindt zich bij de reebok een geurklier bij tussen de onderhuidse basis van het gewei, de rozenstokken.

Ligplaatsen
Op droge meestal wat hogere plaatsen in zowel bos als veld ligt het ree graag te herkauwen. Naar mate deze vaker gebruikt wordt is deze ligplaats beter te herkennen. Voor dat het dier gaat liggen krabt het in de bodem. Op den duur ontstaat zo een plek waar de planten beschadigd, dood of weg zijn. De humus en de rottende bladeren liggen meer aan de rand. En in het midden is soms zelfs de harde bodem te zien. De aanwezigheid van een sprong is goed te herkennen door meerdere ligplaatsen. Uit de grootte en diepte zijn het gewicht en de grootte van de reeën ten opzichte van elkaar af te leiden.

Tekening: Hoefafdrukken van ree tijdens lopen en vluchten

De aan één schakeling van afdrukken van hoeven in de grond, het spoor, vorm één van de aanwijzingen dat er rreeën in een gebied leven. Aan het patroon, de vorm, de grootte, en de diepte van de afdruk kun je zien of het een volwassen ree of een reekalf is. Ook kun je zien of het heeft rustig heeft gelopen of is gevlucht. In het Duits wordt de hoefafdruk tritsiegel genoemd. Dat waarschijnlijk geleid heeft tot de Nederlandse begrippen zegel en prent.

Reeën kunnen zich op drie verschillende manieren voortbewegen namelijk:

Tekening: Hoefafdrukken van ree tijdens lopen en vluchten

  • Het rustig stappen; hierbij worden de achterpoten praktisch in de afdruk van de voorpoten gezet.
  • Het draven; waarbij de poten diagonaal gelijktijdig worden verzet.
  • Het vluchten; door grote sprongen, waarbij de achterpoten tot ver voor de voorpoten worden geplaatst. Het ree kan grote sprongen maken van vier meter en meer. Dat zijn geen uitzonderingen.

Heeft het ree rustig gestapt, dan zien we de afdrukken van de hoefjes vlak naast elkaar en is de prent smal en spits. Is het ree vluchtig geweest, dan zien we dat de afdrukken van de hoefschalen gespreid zijn. In een zachte bodem zien we dan ook de afdrukken van de beide bijhoeven.

Er bestaan geringe verschillen tussen het spoor van een bok en dat van een geit. In de praktijk zijn deze echter voor ons nauwelijks zichtbaar.

De reebok markeert in de loop van het seizoen o.a. door middel van het z.g. "vegen" zijn territorium aan planten zoals struiken en bomen. Tegelijkertijd verwonden zij de bodem door te krabben met hun poten.

Het vegen bestaat uit het tussen de geweistangen nemen van ruigte zoals twijgen, op de grond liggende takken of grote planten. Door op- en neergaande bewegingen of heen en weer slingeren van de kop brengen ze de de geurstof uit hun geurklier in contact met het voorwerp. Dit gebeurt vaak zo heftig, dat de bast van de takken en stammen geschuurd wordt of planten zelfs uit de grond worden gerukt. De sporen die het vegen achterlaat worden veegsporen genoemd.

Het is een misverstand dat de reebok veegt om de dode bast van het voltooide gewei te vegen.  De afgestorven bast droogt sterk en krimpt daardoor zodanig dat de bast van het gewei valt. Dat proces vindt plaats in één etmaal. De veegsporen ziet men echter van half maart tot medio augustus.

Veegsporen zijn dus niet het gevolg van het voltooide gewei maar van het markeren van het territorium.

Ervaren reeënbeheerders herkennen aan de dikte van de geveegde plaatsen dat het hier om relatief groot of klein gewei gaat en kwalificeren dit dan als grote/oude of kleine/jonge bok. De werkelijkheid is dat de dikte van geveegde objecten niets zegt over de grote noch de leeftijd van van de reebok of het gewei maar meer over de vorm van het gewei met name de ruimte tussen de geweistangen.

Tijdens het lopen en krabben in de grond wordt een geurstof uit de geurklieren afgegeven waardoor een geurspoor wordt gevormd waaraan elk ree individueel herkend kan worden. De geursignalen kunnen zo complex zijn dat ze mogelijk informatie geven over geslacht, leeftijd en status van het individu (Lawson, 2000).

Geurstoffen worden gebruikt om zichzelf en andere soortgenoten en objecten te markeren en vormen een belangrijk communicatiemiddel. Verschillende geurklieren zijn klieren om het territorium of trekroutes te markeren. Deze geursignalen ter afgrenzing van hun gebied zijn uitermate belangrijk.

Tekening: Ree met gemarkeerde geurklieren

Daarnaast kan volgens Johansson (1996) het markeergedrag van de reebok nog andere betekenissen hebben, namelijk: informatieplaatsen creëren voor de bok zelf om zich te oriënteren, informatie over geweiopbouw verwerven, zelfstimulatie, over spronggedrag in een conflictsituatie, schijngevecht, ontwijken van fysieke confrontaties, synchroniseren (priming) van de ovulatie van de reegeit, en het aantrekken van de reegeit.

Bij de reebok bevindt zich voor en tussen de rozenstokken een geurklier. In het voorjaar en in de zomer wrijven, slaan en vegen de reebokken veelvuldig met hun kop en gewei en dus de geurstoffen langs voorwerpen in en om hun territorium om deze te markeren. Daarbij worden takken en twijgen tussen de geweistangen genomen en door op- en neergaande bewegingen in contact gebracht met de geurstof.

Naast de geursporen die daardoor worden gemaakt gebeurt dit markeren vaak zo heftig, dat de bast van de boompjes geschraapt wordt. Deze veegsporen zijn dus niet het gevolg van de basthuid van de geweistangen af wrijven, het vegen.

Een ervaren of getrainde hond met een goede neus is in staat het geurspoor van een individueel ree te volgen. 

Literatuur:
Jansen B. (2012), De geurklieren van de ree
Lawson R., Putman R., Fielding A. (2001). Chemical communication in Eurasian deer: do individual odours also code for attributes?
Lawson R., Putman R., Fielding A. (2000). Individual signatures in scent gland secretions of Eurasian deer.