Kenniscentrum Reeën
  • Dode reeën horen in de natuur. Zij vormen voedsel voor andere organismen. Dood doet leven
  • Zieke wilde dieren vormen echter ook een risico voor gezondheid van andere dieren en mensen 
  • Neem indien u twijfelt contact op met lokale beheerder of politie.
  • Die neemt contact op met onderzoekende instanties.

Voor beheerders:

  • Werk hygiënisch: Raak het dier niet aan zonder handschoenen.
  • Voor onderzoek van een wild dier, kunt u mailen naar dwhc@uu.nl of het formulier Meld een dood dier invullen.
Kenniscentrum Reeën

(BTV serotype 8)

Ziekteverwekker
Blauwtong is een virus dat verspreid wordt in bloed en sperma van herkauwers. Het virus hoort tot de familie van reovirussen waar ook veel diarreevirussen en luchtwegvirussen bij horen. Er zijn 24 verschillende serotypen bekend.

Besmettingsbron en wijze van overdracht
De ziekte wordt met name overgebracht door knutten. Een knut raakt besmet door het bloed op te zuigen van een besmet dier. In de knut kan het virus zich vermenigvuldigen, maar daarvoor moet de temperatuur wel hoger zijn dan 15 graden. Waar blauwtong heerst, blijkt vaak minder dan 1% van de knutten besmet. Dat verklaart waarom slechts een deel van een populatie of groep dieren besmet is. Naar mate de dieren meer bij elkaar leven is de kans op besmetting groter, verschijnselen en antilichamen. De ziekte is ongevaarlijk voor mensen. Ook dieren die geen herkauwers zijn, lopen geen risico. Honden en katten kunnen er dus niet ziek van worden.

Vooral schapen kunnen er erg ziek van worden of eraan sterven. Runderen, geiten, en wilde herkauwers kunnen wel met het virus worden besmet, maar worden meestal niet erg ziek. Runderen en andere herkauwers spelen bij de verspreiding en het in stand houden van de infectie in een gebied wel een grote rol.

Ziekteverschijnselen
Er zijn twee ziektebeelden van blauwtong: de acute vorm en de subklinische vorm. Dieren met de subklinische vorm vertonen geen ziekteverschijnselen. Dieren met de acute vorm krijgen koorts en het slijmvlies in de bek raakt ontstoken, verzweert en breekt af. het meest opvallend is een opgezwollen en blauwgekleurde tong. Daarnaast raken dieren kreupel door een kroonbrandontsteking en kunnen drachtige dieren hun vrucht afdrijven. Ook kunnen er problemen met de luchtwegen ontstaan en vermageren de dieren. De sterfte\mortaliteit van dieren besmet met de acute variant kan bij schapen oplopen tot 10%.

Het herstel bij dieren vraagt veel tijd. Het herstel gaat meestal gepaard met soms ernstige haaruitval (kaal). De dieren hebben een duidelijke achterstand in de groei, de melkproductie neemt af (bij melkkoeien tot 50%) en ze zijn vaak niet vruchtbaar meer.

Verspreiding en frequentie
in Europa kwamen met name de serotypen 1, 2, 4, 9 en 16 voor. In Nederland is het serotype 8 vastgesteld. Dit serotype van het blauwtongvirus komt met name voor in Afrika en het Caribisch gebied. Blauwtong kwam met de knut alleen voor in warme gebieden. in Europa gaat het dan om Italië, col-md-je, Portugal en Griekenland.

In 2005 was de eerste uitbraak in Zuid-Nederland (Limburg en het oosten van Noord-Brabant) met een gebiedsvreemd serotype. Door het in de veestapel komen van de subklinische vorm van blauwtong is een permanente bron ontstaan voor infectie. Die bron is actief door het groter worden van het leefgebied van de knut.

In 2005-2006 was het virus nog mild pathogeen: er waren wel zieke schapen, maar er gingen weinig dierendood. Bij de schapen waren duidelijke verschijnselen te zien en bij runderen niet. De Gezondheidsdienst voor Dieren onderzocht, in het voorjaar van 2006, circa 60, geschoten reeën, uit het gebied. Daarbij zijn geen positieve dieren gevonden.

In 2007 verliep de ziekte onder het vee veel extremer en verspreidde de ziekte zich als een olievlek over Nederland. Ook in de ons omringende landen zien we grote geografische uitbreiding. Er gaan in 2007 relatief veel meer schapen dood en runderen vertonen dit jaar duidelijk ontsteking verschijnselen en een enkel dier gaat zelfs dood. Ook bij Wisenten en Yaks werd Blauwtong vastgesteld. En in Duitsland zijn wisenten aan Blauwtong gestorven.

In Duitsland is, tot medio 2008, bij 20 van 2339 onderzochte wilde herkauwers Blauwtong vastgesteld. Alle positieve dieren kwamen uit Nord-Rhein-Westfalen. Het onderzoek betrof bloedmonsters van geschoten dieren en valwild. Blauwtong is bij edelherten, reeën en moeflons vastgesteld. Bij een Sikahert was de uitslag twijfelachtig. Zowel in het jaar 2007 als in 2008 zijn met name bij edelherten antilichamen in het bloed aangetoond. Uit de rapportage van het seizoen 2006-2007 blijkt dat van de 600 onderzochte bloedmonsters zes edelherten, een moeflon en drie reeën positief waren. Er zijn tot op heden sporadisch wilde herkauwers aan Blauwtong gestorven. Bij tamme moeflons is een aantal dieren ziek geworden en gestorven. En ook bij gehouden damherten en Sikaherten zijn dieren met symptomen van Blauwtong aangetroffen.

België
Bij de verspreiding van Blauwtong in België viel op dat de nieuwe gevallen vooral voorkomen in die delen waar in 2006 vrijwel geen Blauwtong voorkwamen. Mogelijk dat er immuniteit is opgetreden onder de dieren in de gebieden die al besmet waren. In het zuiden van België zijn in 2006 van 684 edelherten en reeën monsters van bloed en milt genomen. Van de 684 bloedmonsters waren er vier positief. Van 102 stuks waren alle uitslagen negatief. De conclusie is dat er geen massale ziekte en/of sterfte onder edelherten en reeën is opgetreden. Het wild lijkt geen bron voor Blauwtong.

Dat is in de jaren 2008-2009 nog meer bevestigd nadat grootschalige inenting van de gehouden dieren mogelijk werd. De Blauwtong epidemie onder gehouden dieren heeft zich niet doorgezet.

Onderzoek
Of wilde herkauwers zoals reeën problemen ondervinden van het Blauwtong virus, is niet bekend geworden. Zonder gericht onderzoek zal dit waarschijnlijk het eerste gemerkt worden als de aanwas van wilde herkauwers niet overeenkomt met de verwachting. Deskundigen vragen zich op basis van Belgische ervaringen ook af of er in 2008 meer immuniteit zal ontstaan vanwege de grootschalige uitbraak in 2007. Gezien de ervaringen in Duitsland en Oostenrijk is te verwachten dat ook in Nederland edelherten, moeflons en reeën antistoffen tegen Blauwtong hebben. Het aanwezig zijn van antilichamen geeft alleen aan dat een dier met de ziekteverwekker in aanraking is geweest. Wanneer het afweersysteem van een dier goed werkt en genoeg antistoffen aanmaakt, wordt het niet ziek en dus geen drager. Welk percentage van de wilde herkauwers ook daadwerkelijk ziek wordt, is dus de vraag. En daarmee blijft ook de vraag wat de effecten zijn van een besmetting.

Mogelijk dat de wilde herkauwers evenals runderen hun vruchten verwerpen. In dat geval zullen er in de komende jaren minder jongen geboren worden. Het is belangrijk om daar op te letten.

Meer informatie (voor professionals):www.rivm.nl/Onderwerpen/I/Infectieziekte_informatie_voor_professionals / blauwtong

Bronnen:
KNJV, De Nederlandse jager NR23 2007
RIVM, website

(Rabiës)

Ziekteverwekker
De hondsdolheid (rabies) wordt veroorzaakt door een virus

Besmettingsbron en wijze van overdracht
De overdracht kan al plaatsvinden via een krab of beet van een besmet dier. Alle dieren kunnen hondsdolheid overbrengen, ook mensen. Vooral moet men denken aan vleermuizen en vossen.

Ziekteverschijnselen
Rabiës-infecties voor reeën zijn dodelijk. Eerst is een dier zeer actief en ongecontroleerd, veel speeksel en later verlammingsverschijnselen.

Verspreiding en frequentie
In Nederland vormen hoofdzakelijk vleermuizen het reservoir, bij andere zoogdieren is de laatste jaren geen hondsdolheid aangetoond.

Meer informatie:

http://www.rivm.nl/Onderwerpen/R/Rabies

(Aphtae epizootica)

Mond en klauwzeer (MKZ) is een aangifteplichtige dierziekte.

Mede dankzij MKZ-experts uit verschillende organisaties is de informatiefolder “Mond-en-klauwzeer (MKZ) bij wild”! tot stand gekomen. De folder is een gezamenlijke uitgave van het DWHC en de Jagersvereniging en gaat uit van de situatie en kennis tot mei 2013.

Deze informatiefolder is bedoeld voor een ieder die in het veld met MKZ bij wild te maken kan krijgen. Diverse onderwerpen komen aan de orde, zoals de locaties van recente MKZ uitbraken bij gehouden en/of wilde dieren in Europa; het ziektebeeld bij verschillende hoefdieren; waarheen gebeld kan worden om verdachte gevallen te melden. Tevens staan in de folder voorzorgsmaatregelen om insleep vanuit een besmet gebied in het buitenland naar Nederland te voorkomen.

Ziekteverwekker
Mond en klauwzeer wordt veroorzaakt door een zeer besmettelijk virus.

Besmettingsbron en wijze van overdracht
Het virus wordt verspreid via vocht van besmette dieren, via stof, maar ook via andere dragers. Alleen evenhoevige dieren zijn vatbaar zoals: koeien, varkens, schapen, geiten, herten enz. Voor de mens is het gevaar bijna nihil.

Ziekteverschijnselen bij het dier
Vocht gevulde blaren in de mond, overvloedig speekselverlies, blaren op de hoeven. Andere symptomen zijn hoge koorts.

Verspreiding en frequentie
De laatste uitbraak van MKZ is geweest in 2001. De laatste jaren zijn in Nederland geen besmettingen waargenomen

Meer informatie: www.rivm.nl/Onderwerpen/I/Infectieziekte_informatie_voor_professionals

()

Ziekteverwekker
Reeën kunnen besmet worden met Q-koorts door de drager van het virus de bacterieCoxiella burnetii. De letter Q komt van het woord ‘Query’ dat ‘een vraag stellen’ betekent. De bacterie die Q-koorts veroorzaakt, Coxiella burnetii, was namelijk lang onbekend. De ziekte is voor het eerst vastgesteld bij slachthuispersoneel in Queensland, Australië. Vrijwel gelijktijdig werd de bacterie ook aangetroffen in teken in de VS.

Bij reeën (Capreolus capreolus) zijn in diverse wetenschappelijke studies uit Zuid- en Oost Europa antilichamen tegen Coxiella burnetii in het bloed aangetoond. Dat betekent dat die reeën besmet waren met de bacterie. De gevonden percentages besmette dieren varieerden globaal van 0 tot 30%, afhankelijk van de soort. Het is dan ook aannemelijk dat ook in Nederland, al voor de huidige epidemie, Coxiella circuleerde, hoewel gegevens hierover ontbreken.

Besmettingsbron en wijze van overdracht

Besmetting met de bacterie Coxiella burnetii kan door inademing van de bacterie en de aanraking met de voortplantingsorganen. De bacterie komt in de lucht in de periode dat besmette dieren jongen krijgen. De grootste bron van besmetting zijn op dit moment besmette geiten of schapen op bedrijven. Zij krijgen jongen in de periode februari tot en met mei. Vooral het vruchtwater en de moederkoek van besmette dieren bevatten grote hoeveelheden bacteriën. De bacterie kan ook voorkomen in melk, mest en urine.

Q-koorts is een infectieziekte die op dezelfde wijze van dieren overgaan op mensen. De infectie komt vooral voor bij herkauwers, maar kan ook bij andere dieren voorkomen. Alle besmette dieren kunnen de infectie overdragen op mensen. Mensen scheiden geen bacteriën uit wanneer ze hoesten en de ziekte is in principe niet van mens op mens overdraagbaar. Overdracht bij orgaantransplantaties of bloeddonatie zou eventueel ook mogelijk kunnen zijn.

Kaart: Q-koorts incidenten 2009

Hoewel Coxiella ook in teken kan voorkomen, is er in Nederland geen aanwijzing gevonden dat teken besmet zijn. In 2008 zijn in dit verband 600 teken uit diverse gebieden onderzocht bij het RIVM, daarbij is geen enkele besmette teek gevonden.

Ziekteverschijnselen bij het dier
Het belangrijkste symptoom van Q-koorts bij geiten en in mindere mate bij schapen is vroeggeboorte of abortus in de laatste maand van de dracht. Bij runderen wordt Q-koorts niet in verband gebracht met abortus maar mogelijk met verminderde vruchtbaarheid. De meeste overige diersoorten vertonen geen symptomen, bij reeën en herten is niet bekend of Q-koorts zich met typische symptomen manifesteert, en zo ja welke. Mogelijk treedt ook bij reeën en herten vroeggeboorte op. Andere symptoom is hoge koorts.

Verspreiding en frequentie
In Nederland kregen voor 2007 gemiddeld 10 tot 20 mensen per jaar Q-koorts. In 2007 waren er bijna 200 gevallen, in 2008 werden er 1000 mensen gemeld en in 2009 zich in meer dan 2300 mensen Q-koorts. Daarna is de epidemie min of meer tot stilstand gekomen onder invloed van maatregelen in de dierhouderij. Zo’n grote uitbraak van Q-koorts bij mensen is nooit eerder in de wereld waargenomen.

Q-koorts bij in het wild voorkomende herkauwers in Nederland wordt door DWHC onderzocht. De vraag was in eerste instantie of er bij de jacht op grofwild zoals damherten, edelherten, wilde zwijnen, of reeën een risico voor de jager bestaat op besmetting met de bacterie Coxiella burnetii, die Q-koorts veroorzaakt.

Neem bij klachten die passen bij Q-koorts contact op met uw huisarts.

Uit 'Circulaire voor reeënbeheerders' door; Auteurs: Bart van Rotterdam, Merel Langelaar en Joke van der Giessen, RIVM Hendrik-Jan Roest, Centraal Veterinair Instituut van Wageningen UR Andrea Gröne, Dutch Wildlife Health Center, Utrecht

Voor meer informatie over Q-koorts:
www.dwhc.nl
http://www.rivm.nl/Onderwerpen/Q/Q_koorts.
www.vwa.nl

()

Ziekteverwekker
Het Schmallenbergvirus werd eind 2011 voor het eerst gevonden bij schapen, geiten en runderen. Het is onbekend waar het vandaan komt. In het Duitse plaatsje Schmallenberg is het virus voor het eerst vastgesteld bij koeien die last hadden van diarree. Het Schmallenbergvirus zorgde bovendien voor misvormde kalveren en lammeren van schapen en geiten.

Het Schmallenbergvirus is familie van een groot aantal bekende virussen, waaronder het Akabane virus. Dit virus veroorzaakt vergelijkbare klachten bij onder andere koeien en schapen en komt voor bij vee in Azië, Australië en Afrika.

Besmettingsbron en wijze van overdracht
Het Schmallenbergvirus wordt waarschijnlijk overgedragen door knutten. Dit zijn een soort kleine muggen die ziekten kunnen overdragen wanneer ze dieren bijten om bloed te drinken.

Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat mensen ziek worden van het Schmallenbergvirus. Hiervoor bekeek het RIVM het bloed van ruim 300 veehouders, dierenartsen en bewoners van bedrijven waar het virus was gevonden. Juist deze groep mensen is onderzocht omdat zij een groter risico hebben gelopen om met het virus in aanraking te komen dan de rest van de Nederlandse bevolking. Ondanks dat directe contact heeft niemand van deze groep een infectie met dit virus opgelopen.

Ziekteverschijnselen
Het Schmallenbergvirus zorgt dat koeien last hebben van diarree en voor misvormde kalveren en lammeren van schapen en geiten.

Verspreiding en frequentie
De hoge snelheid waarmee het Schmallenberg-virus zich in 2011 in de veestapel van West-Europa verspreidde, was te wijten aan het hoge percentage knutten dat met het virus besmet kon raken, meldde het Central Veterinary Institute te Wageningen. Het bericht was het resultaat van een 2012 gestart onderzoek. Vooral van de meest voorkomende knuttensoort in Nederland, Obsoletus complex, bleek een hoog percentage besmet. Daarnaast bleken de knutten tot 10 keer zwaarder besmet als de besmetting met het Blauwtongvirus tijdens de blauwtongepidemie in Europa tussen 2006 en 2008. Uit het onderzoek bleek ook dat ruim 0,1% van de geteste knuttensoort C. chiopterus geïnfecteerd was met het Schmallenberg-virus. Dit is een factor 5 groter dan gemeten voor het blauwtongvirus in dezelfde knuttensoort in 2006-2008.

De conclusies en perspectieven
1) Het is op basis van de resultaten zeer aannemelijk dat reeën besmet kunnen worden met Schmallenberg virus. Hierbij is er vanuit gegaan dat de VNT-waarden die gelden voor runderen en schapen ook voor reeën gelden. Deze bevindingen uit Nederland liggen in lijn met bevindingen uit België: in december 2011 had de meerderheid van de geteste reeën daar antistoffen tegen Schmallenberg virus (Linden et al, 2012).

2) Het blijft onduidelijk of de besmetting gevolgen heeft in termen van ziekte en verstoorde voortplanting bij reeën. Ook uit de omringende landen is hierover nog geen informatie.

Daarom blijft de vraag aan het veld om verdachte gevallen te melden en voor pathologisch onderzoek bij het DWHC in te dienen (030-2537925).

Meer informatie over dit onderzoek leest u op website van DWHC.

Meer lezen:
http://www.rivm.nl/Onderwerpen/S/Schmallenbergvirus

()

Ziekteverwekker
Klassieke varkenspest wordt veroorzaakt door een virus.

Besmettingsbron en wijze van overdracht
Eenmaal besmette dieren kunnen elkaar besmetten. Het virus is weliswaar ongevaarlijk voor mensen, maar mensen kunnen het virus wel verspreiden, onder meer via kleding, schoenen en handen. Ook besmette materialen kunnen ervoor zorgen dat het virus wordt verspreid, evenals etensresten waar de dieren mee worden gevoerd.

Ziekteverschijnselen bij het dier
Alleen varkens en wilde zwijnen zijn vatbaar voor varkenspest.

De varkens zijn erg ziek en hebben een verhoogde lichaamstemperatuur tot 42 graden Celsius. Wat op den duur de dood tot gevolg heeft.

Verspreiding en frequentie
In Nederland is de laatste jaren geen varkenspest aangetoond.

Meer informatie (voor professionals): www.rivm.nl/Onderwerpen/I/Infectieziekte_informatie_voor_professionals