Kenniscentrum Reeën

In de periode rond 1965 werd begonnen met het binnen een bepaald gebied gezamenlijk tellen van reeën. Zo een gebied werd reewildring genoemd. Reewildring is afgeleid van het Duitse, hegering.

Van de houders van het recht om te jagen in de betreffende gebieden werd veel medewerking verkregen. In Noord-Limburg kwam er zelfs een samenwerking met de Duitse buurjagers tot stand. Er ontstond daar een beheergebied van circa 15.000 hectare waar in men het beheer van reeën afstemde.

Kaart: Verspreiding reeën uit voorjaarstelling wildbeheereenheden 2003


Gezien de levenswijze van reeën was, van tevoren, bekend dat het niet mogelijk was om het juiste aantal stuks reeën te inventariseren. Maar wel dat men, door consequent jaar in jaar uit op dezelfde wijze te tellen, een indruk kon krijgen van de totale stand. Een bijkomend gevolg van de samenwerking was dat de jagers en natuurbeheerders elkaar niet meer als concurrent zagen maar elkaar aanvulden. Er waren meer onderwerpen die hen bonden als die hen scheiden. Zo kon er een bijdrage worden geleverd in het beheer van het leefgebied van het ree, de populatie reeën en tegen de stroperij.

Veel later, rond 1990, werd het principe verplicht gesteld en werden de samenwerkingsverbanden wildbeheereenheden genoemd. Met de komst van de Flora- en Faunawet (1998) is nog meer nadruk gelegd op het samenwerken in gebieden. De wildbeheereenheid (WBE) werd in de wet gedefinieeerd en op regionaal niveau ontstond de Faunabeheereenheid (FBE). 


In heel Nederland zijn sindsdien WBE's opgericht. Zij bundelen hun kennis en ervaring in beheerplannen. Die beheerplannen worden per provincie door de FBE verwerkt tot provinciale faunabeheerplannen. Die faunabeheerplannen zijn gedurende enkele jaren de basis voor het faunabeheer in de betreffende provincie. Onderdeel van dat faunabeheerplan is het reeënbeheerplan. Daarin staat hoe de komende periode met de reeënpopulatie in het gebied wordt omgegaan. Mede door deze ontwikkeling in de jacht , het beheer en de schadebestrijding door wild is herkend dat faunabeheer op landelijk niveau niet past bij lokale leefomstandigheden. Daarom vindt de uitvoering van de Wet nu, anno 2017, zoveel mogelijk plaats door de provincies.

De overheid ziet dus niet de individuele beheerder, maar de verenigde beheerders als volwaardige partner. Zo worden vergunningen, nodig bij de bestrijding van schade, niet meer aan individuele beheerders verleend, maar aan een wildbeheereenheid, die deze doorgeeft aan de lokale beheerder. Zo ook vergunningen voor populatiebeheer, lees afschot van reeën. De WBE draagt dus de verantwoordelijkheid voor de in haar gebied levende reeën.

Het werkgebied van een WBE dient uit een aaneengesloten gebied te bestaan met een oppervlakte van tenminste 5.000 hectare. Binnen de WBE heeft iedere jachthouder zijn eigen verantwoordelijkheid. Maar samen voeren zij het reeënbeheer uit op basis van een gezamenlijk opgesteld reeënbeheerplan. Dat reeënbeheer is gericht op het handhaven van een acceptabele reeëndichtheid, waarbij gelet moet worden op de belangen van de verkeersdeelnemers, de landbouw en de natuur.