Kenniscentrum Reeën

Bewerkt door:
(Klik hier voor het originele document)

Inleiding
Jagers houden zich sinds jaar en dag bezig met het beheer van reeën. Sinds het inwerking treden van de Flora-en faunawet worden reeën niet meer tot de wildsoorten gerekend. Het zijn beschermde dieren. Dat betekent dat reeën met rust moeten worden gelaten, tenzij er belangen zijn die een inbreuk op die bescherming rechtvaardigen. Die belangen zijn in artikel 68 van de wet genoemd.

Het is aan de Faunabeheereenheid (FBE), waarin terreineigenaren, agrarische grondgebruikers, beheerders natuurterreinen en jachthouders zijn vertegenwoordigd, om in het faunabeheerplan aan te geven in hoeverre die belangen in het werkgebied van de FBE spelen en er een noodzaak bestaat om in te grijpen in reeënpopulaties. Wanneer die noodzaak aanwezig is, zijn de jagers verenigd in de wildbeheereenheden (WBE’s) bij de uitvoering van dat beheer betrokken.

De Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging** en de Vereniging Het Reewild*** wilden met deze leidraad de jagers, de WBE’s en de FBE’s een handreiking geven voor een uniforme aanpak van het beheer van reeënpopulaties. Deze aanpak leidde tot een set aan gegevens, waardoor ook aan de wettelijke vereisten van een faunabeheerplan werd voldaan.

Reeën in Nederland
De afgelopen vijftig jaar is het aantal reeën in ons land fors toegenomen. Deze toename is onder andere af te lezen uit het afschot, dat is gerelateerd aan het aantal reeën dat jaarlijks tijdens reeëntellingen wordt waargenomen. In 1960 werden ca. 4000 reeën geschoten, in 2005 waren dat er ruim 15.000. Recente voorjaarstellingen (april 2006) wijzen op een voorjaarsstand van minimaal 58.000 reeën (Nieuwsbrief WBE Databank nr.. 7). Omdat tijdens een telling niet alle aanwezige reeën worden waargenomen, moet dit getal als minimum aantal reeën worden gezien.

Vanaf 1950 tot op heden is het bos gegroeid van circa 7% (250.000 ha.) naar 10,6% (360.000 ha.) van het landoppervlak. De toename van het aantal reeën is daarom opmerkelijk. En dat in ons land met 16 miljoen mensen, met een daardoor grote recreatiedruk in de groene delen. Een land ook met een infrastructuur van tienduizenden kilometers wegen die intensief worden gebruikt en met een intensieve landbouw en veehouderij.

Reeën komen niet alleen voor in natuurgebieden, maar voelen zich ook goed thuis in het moderne cultuurlandschap. Veel gebieden waar reeën voorkomen zijn echter ‘vol’. Dit uit zich in een jaarlijks terugkerende migratie van uitgestoten dieren, die zich elders een plek moeten zien te verwerven. Op zoek naar een geschikte leefomgeving, moeten deze dieren vaak wegen oversteken hetgeen leidt tot aanrijdingen. De reeën bezetten zodoende ook in feite ongeschikte biotopen, wat leidt tot lichamelijk slecht ontwikkelde dieren. De toename van reeën leidt bovendien tot toenemende schade aan bosverjonging en, lokaal, aan land- en tuinbouwgewassen.

Om bovengenoemde redenen wordt ieder jaar, in de meeste gebieden in ons land de groei van de reeënpopulatie door afschot beperkt. Niet ingrijpen in reeënpopulaties zal sneller leiden tot overbevolking c.q.. ruimtegebrek, waardoor voedselschaarste en stress optreden. Die uiten zich in een verminderd welzijn van de dieren. Dat verminderde welzijn is af te lezen aan lagere gewichten, geringe geweiontwikkeling en het vaker optreden van parasitaire ziekten. Kortom, een te hoge dichtheid gaat ten koste van dierenwelzijn. Dit aspect is ook aan de orde bij aanrijdingen met reeën. Niet ieder aangereden ree is op slag dood. Door aanrijdingen gewonde reeën verdwijnen vaak in het bos, lijden daar en gaan uiteindelijk dood.

Wettelijk kader
Reeën zijn volgens de Flora-en faunawet beschermde inheemse dieren. Het is verboden deze dieren te verontrusten, te vangen of te doden. De wet maakt hierop echter wel een aantal uitzonderingen. In artikel 68 van de wet worden deze opgesomd:

  • belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid
  • belang van verkeersveiligheid
  • voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, bossen en vee
  • ter voorkoming van schade aan flora en fauna
  • andere bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) aangewezen belangen

Deze bij AMvB aangewezen belangen zijn genoemd in artikel 4 van het Besluit ‘Beheer en schadebestrijding dieren’, te weten;

  • voorkoming en bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren behorende tot ree, edelhert, wild zwijn en damhert
  • Populatiebeheer: het reguleren van de populatieomvang van dieren (edelhert, wild zwijn, damhert en ree) met dien verstande dat vanwege dit belang slechts ontheffing kan worden verleend indien de aanleiding is gelegen in de schadehistorie ter plaatse en van het omringende gebied of de maximale populatieomvang in relatie tot de draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden.

De Faunabeheereenheid is de aangewezen instantie om ontheffing aan te vragen voor afschot van reeën. Zij zal in haar faunabeheerplan een onderbouwing moeten geven van de noodzaak tot ingrijpen. In Flora- en FaunaWet artikel 10 van het ‘Besluit faunabeheer’ is aangegeven waaraan dat faunabeheerplan moet voldoen. In het hoofdstuk Beheer wordt aangegeven op welke wijze aan deze vereisten wordt voldaan.

Beheer
Er zijn in de loop der jaren verschillende methoden ontwikkeld, waarmee een draagkracht van het terrein kan worden bepaald. De oudste en door de meeste wildbeheereenheden gebruikte methode is die van Van Haaften. Op advies van de Commissie Beheerplan* van de Vereniging het Reewild (VHR) wordt die methode in deze leidraad als uitgangspunt gehanteerd.

Nog geen van de methoden is toepasbaar voor elk terrein in Nederland. Daarom is de ‘logistische groeicurve’ de moeite waard in een aantal gebieden in ons land te testen op zijn praktische bruikbaarheid. Afhankelijk van de bevindingen kan het in de toekomst mogelijk dienen als alternatief voor de in deze leidraad beschreven benadering van het reeënbeheer.

a. Populatiebeheer
Preventief ingrijpen in populaties om te voorkomen dat er ‘te veel dieren op een bepaald oppervlak aanwezig zijn’ en er daardoor dierenwelzijn problemen optreden, is populatiebeheer. De wet biedt voor dit preventief ingrijpen expliciet de mogelijkheden. Om hier invulling aan te geven moet volgens de Flora- en FaunaWet artikel 10 van het ‘Besluit faunabeheer’ bekend zijn wat de gewenste stand is, hoeveel reeën in dat gebied aanwezig zijn, en hoeveel reeën jaarlijks uit de populatie moeten worden weggenomen. Vervolgens moet worden ‘gemeten’ of de beheer ingreep effect heeft.

Gewenste dichtheid
Het is van belang om aan te kunnen geven hoeveel reeën in een bepaald gebied (minstens 5000 ha kunnen leven zonder dat er dierenwelzijnsproblemen optreden. De kwaliteit en kwantiteit van de biotoop (leefomgeving) is bepalend voor die hoeveelheid. We noemen dat de draagkracht van een terrein.

De methode Van Haaften geeft een puntenclassificatie voor de grens tussen dekking en open veld, de oppervlakte weiden en akkers, de verhouding dekking en open terrein, de boomsoorten verdeling en de zuurgraad van de grond. De totale puntenverdeling wordt geclassificeerd naar aantal reeën dat per 100 hectare dekking aanwezig kunnen zijn. Bij die populatiedichtheid raken de reeën niet door de natuurlijke omstandigheden in een slechte conditie.

Dichtheid
Het exact vaststellen van het aantal reeën dat in een gebied aanwezig is niet mogelijk. Reeën vertoeven namelijk overdag veelal in dekking (bos, riet e.d..) en worden in de schemering actief en komen tevoorschijn om voedsel te zoeken. De avond en vroege ochtend zijn dan ook de beste tijdstippen om reeën te tellen. Maar let op; niet alle reeën treden op hetzelfde moment buiten de dekking. Bovendien zijn er gedurende de seizoenen grote verschillen in de mate van actief zijn van reeën. Ze zijn uitermate efficiënt in het gebruik van het hun ter beschikking staande voedsel.

Met name tijdens een voorjaarstelling (maart,april) kan een goede indruk worden gekregen van het aantal aanwezige reeën. Bij zo'n telling worden achtereenvolgens gedurende een avond-, een ochtend, en nog een avond geteld. De ervaring leert dat tijdens een dergelijke telling niet alle aanwezige reeën worden waargenomen. Het uiteindelijke telresultaat geeft dan ook een ondergrens van het werkelijk aantal aanwezige reeën. Die ondergrens wordt gebruikt als uitgangspunt voor het bepalen van de ontwikkeling van stand. Bij een lage uitkomst van de telling als gevolg van bijvoorbeeld extreme weersomstandigheden, kan de teller bijvoorbeeld de wild beheereenheid uitgaan van het gemiddelde van de laatste drie jaren.

Aanvullend kan een jaarrondtelling worden bijgehouden. Deze geven niet alleen informatie waar de reeën zich gedurende het jaar ophouden, maar kunnen de conclusies van de schemertellingen aanscherpen.

Ook de reeën die aanwezig zijn in natuurgebieden waar geen afschot plaatsvindt worden wel bij de telling betrokken.

Wanneer een populatie groeit, kunnen er ook meer dieren tijdens een telling worden waargenomen. Door de telling ieder jaar op dezelfde wijze en op hetzelfde tijdstip uit te voeren, geven de resultaten gedurende een reeks van jaren een trend in de aantalsontwikkeling. Deze trend geeft houvast bij het beheer van reeënpopulaties. Immers, wanneer het doel is de populatie niet verder in aantal te laten toenemen en uit de tellingen blijkt dat dit toch het geval is kan het zijn dat het beheer moet worden bijgesteld.

De draagkracht van het gebied voor reeën bepalen

voor

art. 10 f, i
Besluit faunabeheer

Het houden van voorjaarstelling en vastleggen van resultaten

voor

art.10 c
Besluit faunabeheer

Het vaststellen van het afschot op basis van tellingen, gewenste stand en verwachte aanwas

voor

art. 10 g,h, j
Besluit faunabeheer

b. Verkeersveiligheid
Doordat reeën wegen oversteken, worden er reeën aangereden. Dit leidt niet alleen tot verkeersonveilige situaties voor de weggebruiker, maar ook tot (aanzienlijke) schade aan voertuigen. Aanrijdingen met reeën doen zich gedurende het gehele jaar voor, met een piek in het voorjaar (april/mei). In deze tijd van het jaar worden de reeën territoriaal en ontstaat onrust in de populatie. Jonge dieren worden door de oudere verdreven en moeten op zoek naar een nieuw leefgebied. Hoe meer reeën aanwezig zijn, hoe meer onrust en hoe groter de kans op aanrijdingen.

Om de kans op aanrijdingen te verkleinen, kunnen wildspiegels langs de weg worden geplaatst. De effectiviteit van de al jaren in gebruik zijnde wildspiegels is evenwel twijfelachtig. De nieuwe ITEK-wildspiegels, waarmee in de Flevopolder proefnemingen worden gedaan, lijken meer effect te sorteren. Het (lokaal) inperken van de populatie is een andere maatregel om het aantal aanrijdingen te verminderen. Het kan een reden zijn om de populatie (voorjaarsdichtheid) op een lager niveau te houden dan op grond van de draagkracht (rekenmodel Van Haaften) is vastgesteld. Het kan ook een reden zijn om reeën vooral op plaatsen die als knelpunt worden aangemerkt, te schieten. Men kan ook kiezen voor een combinatie daarvan.

Wanneer de gewenste voorjaarsdichtheid eenmaal is vastgesteld is het van belang te kunnen meten of de maatregel (inperken populatie en/of afschot op specifieke knelpunten) effect heeft. Daarvoor is het nodig dat het aantal aanrijdingen met reeën nauwkeurig wordt bijgehouden. Deze registratie dient door de jagers zelf te worden georganiseerd. Zij geven de binnen hun jachtveld bekende gevallen door aan de secretaris of coördinator faunazaken van de WBE. Daarnaast is het raadzaam dat de WBE jaarlijks een overzicht vraagt van de bij de regiopolitie, dierenambulance of andere instanties gemelde aanrijdingen. Door al deze gegevens ieder jaar op kaart in te tekenen krijgt de WBE een goed beeld van waar en wanneer hoeveel aanrijdingen hebben plaatsgevonden. Specifieke knelpunten kunnen op deze wijze in beeld worden gebracht en eventueel kunnen daar aanvullende maatregelen worden genomen. (raster, verkeersmaatregelen, extra wildspiegels, nog verdere inperking populatie)

Hoewel verdrinking wettelijk gezien geen reden is voor beheer van reeën, is het toch raadzaam verdrinkingsgevallen in beeld te brengen. Op specifieke knelpunten kunnen dan gerichte maatregelen worden genomen, bijvoorbeeld het (laten) aanleggen van zogenaamde fauna uittredeplaatsen.

Registratie van het aantal aanrijdingen, de locaties en de data waarop de aanrijdingen hebben plaatsgevonden. Betreft gegevens van jachthouders, politie, wegbeheerder en dierenambulance.

Door de registratie van aanrijdingen met reeën, kan voor het faunabeheerplan worden voldaan aan art.10 d,e,l,m,g,m Besluit faunabeheer.

c. Schade aan bos en land- en tuinbouwgewassen
Reeën kunnen schade veroorzaken aan bosverjonging en aan land- en tuinbouwgewassen. Vaak is dit een lokale aangelegenheid. Daar waar uitrasteren geen optie is, is het wegnemen van de schadeveroorzakers dat wel, dan wel een tijdelijke verlaging van de reeënstand. Ook hier geldt dat het vastleggen van schades door reeën noodzakelijk is. Ook dit is een aangelegenheid van de jachthouders (en boeren) binnen de WBE. Door deze schades aan te geven op een kaart, worden knelpunten binnen het werkgebied van de WBE zichtbaar.

Registratie van schade(meldingen) aan bos en land- en tuinbouwgewassen.

Door de registratie van schades door reeën kan voor het faunabeheerplan worden voldaan aan art.10 d,e,l,m, Besluit faunabeheer.

d. Voorkomen/bestrijden van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren
Mede gelet op de intrinsieke waarde van het individuele dier is het wenselijk dat in geval van onnodig lijden van een ree, kan worden opgetreden. Het gaat dan om gewonde en zieke reeën. WBE’s dienen met het oog op dit belang, te beschikken over een aantal reeënmerken die voor dit doel kunnen worden gebruikt.

Resumerend
Met bovenstaande gegevens is al voor een belangrijk deel aan de wettelijke vereisten aan het faunabeheerplan, zoals aangegeven in artikel 10 Besluit faunabeheer, voldaan (zie bijlage 1). Het vereiste van de omvang van het werkgebied en een kaart met daarop de begrenzing (art.10 a,b Besluit faunabeheer), laat zich eenvoudig invullen. Wanneer in het faunabeheerplan tevens wordt aangegeven hoe wordt omgegaan met niet-aangeslotenen die wel van de ontheffing gebruik willen maken, is ook voldaan aan art. 10 k Besluit faunabeheer.

Wildmerken
Teneinde controle en registratie van het afschot mogelijk te maken, is het nodig dat geschoten reeën worden voorzien van een uniek wildmerk. Dit wildmerk is ook van belang voor de dataregistratie van de geschoten reeën in de faunawegwijzer. Hoewel het gebruik van deze wildmerken niet door alle provincies verplicht wordt gesteld, kan de Faunabeheereenheid die verplichting wel voorschrijven in de toestemming tot ontheffing gebruik. Dit is ook gewenst. De wildmerken worden via de Vereniging Het Reewild aan de WBE’s verstrekt.

Het terugmelden van de afschotgegevens (incl.. datum afschot, wildmerk, gewicht) is een ontheffingsvoorwaarde. Het hier niet aan voldoen zou moeten leiden tot intrekken van de machtiging c.q.. ontheffing.

Het wildmerk is ook nodig in verband met de ‘eerste beoordeling’ van het geschoten dier door een gekwalificeerde jager en de traceerbaarheid die Verordening EG-178/2002 voorschrijft, alvorens het dier in de handel wordt gebracht. Per 1 januari 2008 was dit EG voorschrift ook in ons land van kracht.

Monitoren
Door, zoals hiervoor is aangegeven, het aantal aanwezige reeën, het aantal geschoten reeën, het lichaamsgewicht en eventueel CP van de geschoten dieren, datum afschot, plaats, tijdstip en aantal aanrijdingen met reeën en schade door reeën aan land-, bos- en tuinbouwgewassen consequent vast te leggen, kan invulling worden gegeven aan artikel 10 van het Besluit faunabeheer. Na verloop van tijd ontstaat de mogelijkheid om een oordeel te kunnen geven omtrent de effectiviteit van de beheermaatregel bijvoorbeeld afschot.

Bovengenoemde gegevens kunnen digitaal uitgewisseld worden met de WBE Databank en de Faunabeheereenheid. De WBE’s en de FBE’s kunnen gebruik maken van registratiesystemen zoals Nationaal Wildregistratie Systeem (NWRS) of Faunaregistratie Systeem (FRS). Waarbij de laatste tevens gebruikt wordt om officieel de maatregelen die zijn genomen om schade en populatiebeheer uit te oefenen te registreren.

Jachthouders en secretarissen van WBE’s leveren de reeëngegevens die terecht komen in een centrale database. Hieruit kunnen uiteindelijk de FBE, WBE en in het geval van NWRS, KNJV op verzoek geanonimiseerde gegevens betrekken.*

Het melden van deze gegevens moet, binnen 24 uur (na afschot), gebeuren door de jachthouder aan de in de ontheffing vermelde instantie.

Door de hiervoor beschreven structurele wijze van gegevensverzameling vormen WBE’s een eigen dossier reeën. Daardoor zijn ze in staat om kwaliteitsgegevens te leveren aan de Faunabeheereenheid. Deze gegevens kunnen vervolgens worden gebruikt voor de evaluatie van het gevoerde beheer en herziening van de faunabeheerplannen. Ook anderen zoals de bijzondere leerstoel Faunabeheer van de universiteit te Wageningen kan op verzoek gebruik maken van de data.

Terugkerende cyclus
Op basis van inventarisaties wordt een reeënbeheerplan(zie bijlage 1) gemaakt, dat door de provincie wordt goedgekeurd. Vervolgens wordt uitvoering gegeven aan dit plan. Hierbij worden afschot, gewichten, valwild en schades geregistreerd. Aan de hand van deze set aan gegevens wordt aan het eind van de beheerperiode geëvalueerd of het gevoerde beheer tot het gewenste doel heeft geleid en of het beheer moet worden bijgesteld.

Vanaf dat moment begint de cyclus van plannen, uitvoeren, registreren en evalueren weer opnieuw. Deze cyclus staat of valt bij een goede en consequente registratie van gegevens. Met deze cyclus leggen jagers verantwoording af over het gevoerde beheer aan de maatschappij.

Beheer ree in NATURA-2000 gebieden
De in ons land aangewezen Vogelrichtlijngebieden en Habitatrichtlijngebieden vormen samen het Europees netwerk ‘Natura 2000’. In veel van deze NATURA-2000 gebieden komen reeën voor. De Natuurbeschermingswet (NB-wet) schrijft voor dat alle activiteiten die de kwaliteit van die gebieden zouden kunnen verslechteren of die een verstorend effect op bepaalde soorten zouden kunnen hebben, niet mogen plaatsvinden zonder aparte NB-wet­vergunning. Maar als die activiteit (aantalsregulering reeën) is opgenomen in het beheerplan voor het NATURA-2000 gebied is die extra NB-wet vergunning niet nodig. Beheerders zoals terreinbeheerders en wildbeheereenheden zullen er op toe moeten zien dat reeënbeheer in de NATURA-2000 beheerplannen is opgenomen. Bij voorkeur door te verwijzen naar bestaande faunabeheerplan.

_______________________________________________________________________
* In de commissie Beheerplan van de Vereniging Het Reewild hadden zitting Dr. A.P.M. Rutten (voorzitter), J. Riezebos, G.J. Spek en de adviseurs waren prof. J.L. van Haaften en mr. P.C.H.van Schooten.
** De Koninklijke Jagersvereniging is een landelijke vereniging die deskundig is op het gebied van jacht, faunabeheer en schadebestrijding. Zij behartigt de belangen van wildbeheereenheden en leden.
*** De Vereniging Het Reewild is een landelijke vereniging die zich specifiek bezig houdt met reeën. Zij streeft naar het behoud van duurzame populaties reeën en de bevordering van het welzijn van reeën in Nederland.