Door allerlei oorzaken zoals geboorte, ziektes, verhoogde wildschade, veranderde draagkracht van het gebied kan het nodig zijn om de reeënpopulatie te beïnvloeden. Hiervoor moet dan een reeënbeheerplan worden gemaakt. Het ree is namelijk een beschermde diersoort.

In het reeënbeheerplan is vastgelegd hoe de gewenste reeënstand er uit ziet om de beheerdoelen te bereiken. Hierbij is rekening gehouden met de draagkracht van het terrein. Hoewel er diverse mogelijkheden zijn de reeënpopulatie te beïnvloeden gaan de reeënbeheerplannen eigenlijk alleen over reduceren van het aantal reeën door middel van afschot. Dit 'afschotplan' wordt voor een zo groot mogelijke gebied maar op zijn minst een wildbeheereenheid die groter is dan 50000 hectare, gemaakt. Het reeënbeheerplan wordt onderbouwd met actuele inventarisatiegegevens zodat voldaan wordt aan de wettelijke eisen aan een faunabeheerplan. Alleen dan zal de aanvraag om een maatregel te nemen tegen een beschermde diersoort in overweging worden genomen gevolgd door het al of niet verlenen van een ontheffing of eventueel aanwijzing.

Zodra een ontheffing of aanwijzing is gegeven begint de maatregel. Wie de maatregelen daadwerkelijke uitvoert is voor de overheid van minder belang. Dat kan door een wildbeheereenheid zijn. Het behoort tot de taak van de vergunninghouder om toe te zien op de deskundigheid van de uitvoerenden. Daarom worden maatregelen meestal uitgevoerd door jagers die aangetoond hebben over voldoende kennis en vaardigheden te beschikken om fauna actief te beheren. Het moet namelijk goed worden uitgevoerd, conform het plan, om de met de overheid overeengekomen doelen te bereiken of om de plannen bij te kunnen stellen.

De veranderingen die zich in de Nederlandse samenleving voordoen gaan ook aan de reeën niet ongemerkt voorbij. De ontwikkeling van de menselijke beschaving staat in directe relatie tot de veranderingen van de natuurlijke omgeving en de benutting van de natuurlijke hulpbronnen. De mens heeft Nederland in de loop der eeuwen ingrijpend veranderd. Door deze activiteiten is de natuur in ons land in het algemeen verarmd. Schaarste aan natuur doet het besef van de waarde ervan toenemen. Zo groeide er een ethische betrokkenheid bij het lot van bedreigde diersoorten. Bovendien groeide er een verbondenheid met de natuur, mede omdat de natuur een object werd van vrijetijdsbesteding.

De voortdurende aantasting van natuur en landschap ontmoet in toenemende mate weerstanden. Een groot aantal Nederlanders tracht door hun lidmaatschap van een natuurbeschermingsorganisatie in Nederland de aftakeling van de natuur in ons land tegen te gaan. Ook de politieke partijen in ons land nemen de achteruitgang van het milieu serieus, het geen blijkt uit hun groene programma's. Jagers, enkele tienduizenden, maken ook deel uit van de Nederlandse samenleving. Diezelfde gemeenschap neemt kennis van de vrijetijdsbesteding van de jagers waaronder jagen. Jagen is het bemachtigen, doden of het met het oog daarop opsporen van wild. Wild zijn met name genoemde dieren behorende tot één der in artikel 32, eerste lid, Flora en Faunawet bedoelde diersoorten, die in de voor hun aard natuurlijke vrijheid leven. De soorten zijn haas, konijn, houtduif, fazant, wilde eend en patrijs. Reeën zijn geen wild volgens dat artikel. Zij zijn beschermd. Het actief reduceren van die soort is wel mogelijk en wordt in de volksmond ook jagen genoemd. Doordat jagen ook in kwetsbare natuurgebieden wordt bedreven, is de mening over de uitoefening daarvan meestal negatief. Zo zelfs dat openlijk en georganiseerd stelling wordt genomen tegen jagen. Daarnaast hanteren natuurbeschermingsorganisaties stellingen als "Geen jacht, tenzij schade aan derden of schade aan ecosystemen".

Dat heeft geleid tot georganiseerd en deskundig populaties andere dieren beheren als wild.

In 1977 werden er enige veranderingen in de Jachtwet aangebracht waarbij o.a. werd opgenomen dat alvorens een jachtakte wordt verstrekt er een jachtexamen moet worden afgelegd. De Minister is van oordeel dat de kwaliteit van de jager/beheerder hierdoor is verhoogd.

Tegelijkertijd ontstond het besef dat wilde populaties dieren alleen op voor de soort geschikte grote gebieden duurzaam beheerd kunnen worden. Eerst ontstonden er op vrijwillige basis samenwerkingsverbanden zoals reewildringen. En later, in 1980, begon het Ministerie van Landbouw en Visserij met het stimuleren van de oprichting van wildbeheereenheden. Onder een wildbeheereenheid verstaat men een samenwerkingsverband van jachthouders, jachtpachters, grondeigenaren en grondgebruikers. Daaronder vallen ook natuurbeschermingsorganisaties.

Na de euforie van de oprichting volgen momenten van bezinning waarin er samenwerking ontstaat die goed gefundeerd beheerplannen opsteld en uitvoerd. Tijdens het opzetten en uitvoeren van faunabeheerplannen vervagen de grenzen van de jachtvelden binnen de WBE. Dit leidt tot emotionele situaties omdat individuele belangen ondergeschikt zijn aan het gezamenlijke beheerplan. De buurman, wiens verrichtingen altijd met argusogen werden bekeken, is plotseling compagnon geworden. Dat is wel even wennen. Onderlinge rivaliteit binnen de WBE kan de doelstelling vertroebelen waardoor de samenwerking in gevaar komt. Ook kunnen goed doordachte beheermodellen door kortzichtigheid worden getorpedeerd. Daar waar dit gebeurt loopt ook het wel overwogen beheer van reeën gevaar.

Waar komen die individuele belangen dan vandaan? Elke bezitter van grond is volgens het Burgerwetboek jachthouder van die grond. Dit wil niet zeggen dat hij of zij ook jager is of dat er een jachtdoelstelling is. Wat de wet bedoelt is dat de eigenaar “gerechtigd” is het eerder genoemde wild te bemachtigen. De jachthouder kan dit recht verpachten. In de Flora- en faunawet is ook de grondgebruiker, die geen eigenaar van de grond is, een belanghebbende bij flora- en faunabeheer. De grondgebruiker kan iemand een verklaring geven (grondgebruikersverklaring) om één of meerder soorten te beheren (niet jagen, wel doden met vergunning).

Om reeën te beheren moet je dus een grondgebruikersverklaring hebben en een vergunning om maatregelen tegen de soort te nemen. Bovendien moet je om een wapen te mogen gebruiken bij dat beheer een jachtakte hebben.

De aantasting van flora en fauna heeft gevolgen voor dit beheer. Destijds werden de heerlijke jachtrechten afgeschaft en kon elke burger zich het eigendom en dus het recht te jagen verwerven. Inmiddels heeft zelfs de gebruiker van de grond recht om een soort onder voorwaarden te beheren. Nog maar niet te spreken van de gevolgen die ons ruimte gebruik voor wilde dieren betekent. De tijden zijn voor de wilde diersoorten dus veranderd. Jagers zetten nu gezamenlijk de schouders onder het beheer van de natuurrestanten in ons land. Met de opkomst van de wildbeheereenheden is er een nieuw tijdperk aangebroken, waarin jagers hun vaardigheden als actieve beheerders kunnen manifesteren.

Met de komst van de Flora- en Faunawet komen alleen beheereenheden groter dan circa 5000 hectare in aanmerking voor het actief beheren van reeën. De vergunning daarvoor wordt verstrekt aan die rechtspersonen die deze aaneengesloten grote oppervlakten beheren. Deze "nood leert bidden" situatie brengt alle jagers bij elkaar. En heeft tot het snelle ontstaan van wildbeheereenheden geleid. De oprichting van de WBE's zou men "vrijwillig verplicht" kunnen noemen. Een gemiddelde beheereenheid die het beheer van grote wilde hoefdieren nastreeft beslaat dus meer dan 5000 hectaren land.

Het is dus goed om de veranderingen die zich binnen faunabeheer voordoen niet als op zichzelf staande feiten te beschouwen, maar ze te plaatsen in een breder maatschappelijk kader. Met de wildbeheereenheden heeft het bemachtigen, doden of het met het oog daarop opsporen van dieren een goede basis gekregen die past binnen natuurbehoud.

Naar art. De WBE en het beheer van reeënpopulaties, ir. J. Poutsma

Voor een doelmatig en efficiënt beheer van in het wild voorkomende diersoorten (fauna) wordt een faunabeheerplan opgesteld om tot een evenwichtige stand van diersoorten in een bepaald gebied te komen. Zo'n faunabeheerplan bestrijkt meestal enige jaren. Bij de planvorming wordt rekening gehouden met de belangen van landbouw, tuinbouw, bosbouw, natuurbeheer en recreatie. Het beheer van reeënpopulaties vormt een onderdeel van zo'n faunabeheerplan.

Dit faunabeheerplan dient gebaseerd te zijn op hedendaagse biologische inzichten. Speciale aandacht wordt onder andere besteed aan beschermde diersoorten zoals reeën en hoe daar mee om wordt gegaan. Dat deel wat over het beheer van de reeënpopulatie gaat heet het reeënbeheerplan. Dat deel wordt nogal eens verward met het afschotplan. Hierover mag echter geen twijfel bestaan. Het afschot en daarbij behorende plan is slechts één deel van de beschikbare middelen om het gestelde doel voor reeën te realiseren en dus slechts een uitwerking van het fauna- en reeënbeheerplan.

In een faunabeheerplan staan volgens de Flora- en Faunawet art. 10 Besluit faunabeheer:

  • Een aanduiding van de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid
  • Een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied is aangegeven
  • Kwantitatieve gegevens over de populatie, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties gedurende het jaar
  • Onderbouwing van de noodzaak tot beheer, waarbij wordt aangegeven welke belangen worden geschaad indien niet tot beheer zal worden overgegaan
  • Beschrijving van de mate waarin deze belangen de afgelopen vijf jaar zijn geschaad
  • De gewenste stand van de populatie
  • Beschrijving van de aard en omvang van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel 6, te bereiken
  • Per gewas een beschrijving geven van de handelingen die de afgelopen vijf jaar zijn verricht om de schade als bedoeld in onderdeel 5, te voorkomen en een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen
  • Een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken diersoort alsmede van de mogelijkheid van uitwisseling met aangrenzende terreinen
  • Een beschrijving van de plaatsen waar en in welke perioden van het jaar waarin de in g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden
  • De mogelijkheid om gebruik te maken van een aan de FBE verleende ontheffing voor jachthouders die niet bij de FBE zijn aangesloten
  • Een inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel 7 bedoelde handelingen
  • Een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald

Bovenstaande dient dus onderdeel te zijn van het reeënbeheerplan en is de basis voor het, eventueel, reguleren van het aantal reeën door leden van wildbeheereenheden.

Door:

Motivatie voor beheer
Voor elke faunabeheereenheid, leefgebied of WBE kan een reeënbeheerplan worden opgesteld. Het gaat om het gefundeerd beheer invloed uitoefenen op deze beschermde diersoort. Maar beter is het een plan te maken voor de hele populatie in een leefgebied en dit te vertalen naar lokale omstandigheden. Uit welke onderdelen moet een reeënbeheerplan zijn opgebouwd om in de praktijk goed te kunnen functioneren?

De doelstelling zal in de regel luiden:
'Het instandhouden van een gezonde reeënpopulatie die wat betreft aantal en samenstelling zoveel mogelijk overeenkomt met de draagkracht van het terrein.'

De eisen die aan een faunabeheerplan worden gesteld moeten in het reeënbeheerplan volledig worden uitgewerkt. Je kunt daarbij denken aan gegevens die een overzicht geven van de situatie toen, het beheer, de aantallen, de geslachtsverhouding enz.. Vervolgens geef je een omschrijving van de draagkracht van het terrein en hoe die is bepaald. Tenslotte beschrijf je hoe de situatie nu is en wat er ten opzichte van vroeger eventueel is veranderd. Je kunt daarbij denken aan sterk gewijzigde invloeden zoals grondgebruik in de landbouw, ruilverkavelingen, landschappelijke beplantingen, enzovoorts. Handig is het om een goede actuele kaart van de werkgebieden toe te voegen aan het beheerplan.

Daarna kan men de visie voor de toekomst vermelden. Wat moet of kan er veranderen met het oog op de doelstellingen. U gaat een plan van actie opnemen en omschrijven op welke wijze en door wie de resultaten van het beheer worden vastgelegd en beoordeeld. Tenslotte is het goed om te vermelden voor welke periode het beheerplan geldig is, en hoe het eventueel kan worden bijgesteld.

Het beheer van reeënpopulaties naar een draagkrachtmodel past goed in moderne opvattingen over beheer van wilde diersoorten. Bij het draagkrachtmodel wordt uitgegaan van een evenwichtssituatie tussen de benodigde leefomstandigheden en het aantal reeën in een gebied. Dit evenwicht wordt door een aantal factoren zoals geboorte, sterfte en migratie bijgesteld. Voor een gefundeerd reewildbeheerplan moet men beschikken over een aantal gegevens zoals het voedselaanbod, dekking, rust het aantal reeën in het gebied, hun verspreiding, hun voortplantingssnelheid en de conditie van de dieren. Deze informatie wordt verkregen door een aantal inventarisaties uit te voeren en kunnen leiden tot beheermaatregelen zoals bijvoorbeeld zetten of verwijderen van afrasteringen en/of tot een afschotplan.