Prof. Dr. Jan Leendert van Haaften (1927-2012) was hoogleraar aan verschillende buitenlandse universiteiten en docent wildbiologie en natuurbeheer aan Wageningen Universiteit. Hij promoveerde in 1965 op ‘Das Rehwild in verschiedenen Standorten der Niederlande und Slowenien’. Van Haaften schreef talloze artikelen over reeën, waaronder het veel gehanteerde ‘Reewild en reewildbeheer in Nederland’, en publiceerde onder meer over wolven, zeehonden, vossen, herten, en wildschade. Zijn werk ontbreekt vrijwel nimmer in de bronverwijzingen van hedendaagse studies op het gebied van de rol van predatoren in ecologische systemen en reewildbeheer. Nationaal en internationaal hebben zijn visie en publicaties grote waardering afgedwongen en hebben ze geleid tot een fundamenteel andere benadering van het begrip beheerjacht en wordt hij erkend als expert bij uitstek. Hij is met zijn methodiek om de draagkracht van reewildbiotopen vast te stellen, de grondlegger voor het reewildbeheer zoals we dat nu kennen.

Jan van Haaften was tot kort voor zijn overlijden op 10 juli 2012 zeer actief, onder andere als contactpersoon in Nederland van de IUGB, de internationale organisatie van wildbiologen. Ook was hij adviseur van het CIC, een wereldwijd opererende organisatie waarin overheden, natuurbeheerders en jagers samen werken. Daarnaast publiceerde hij nog steeds artikelen, over reewild en over de mogelijke komst van de wolf naar Nederland en de eventuele gevolgen daarvan. Dat deed hij o.m. in Capreolus het vakblad voor reeënnbeheer in Nederland, een belangrijke bron voor het Kenniscentrum Reeën. Voor de beheerders van populaties wilde grote hoefdieren was Jan van Haaften een steun en toeverlaat op wie zelden tevergeefs een beroep kon worden gedaan. Zijn grote kennis van het wild en de natuurlijke processen zijn nog steeds een belangrijke bron.

Afbeelding: Dr. J. L. van Haaften


Met zijn kennis is een belangrijke periode begonnen. Het beheer van grote wilde hoefdieren is op basis van zijn inbreng sterk veranderd. Daar waar zijn kennis en inzichten worden toegepast leven gezonde grote wilde hoefdieren die beïnvloed worden door al dan niet natuurlijke predatie in die populaties. Professor Van Haaften heeft daar een belangrijke bijdrage voor geleverd. Dat deed hij op zijn geheel eigen wijze en wie hem meemaakte kon niet anders dan onder de indruk zijn van zijn enthousiasme en inzet.

Het is mede aan hem te danken dat de mens een actieve rol heeft in het populatiebeheer van grote hoefdieren.

naar: Reewild en reewildbeheer door Prof.Dr.J.L.van Haaften
De draagkrachtmethode ‘Van Haaften’, beschreven in de dissertatie van Prof.Dr.J.L.van Haaften ‘Das Rehwild in verschiedenen Standorten der Niederlande und Slowenien. Med. ITBON 76/1968’, geeft een waardering aan het biotoop voor:

Veldgrenspercentage
Het veldgrenpercentage geeft punten voor de grens tussen dekking en open veld. De punten worden gegeven voor het percentage lengte van de totale veldgrens,

0%

1-20%

21-40%

41-60%

61-80%

81-100%

4
punten

6
punten

8
punten

12
punten

16
punten

20
punten

Dekkingspercentage:
Dekkingspercentage geeft punten voor het percentage oppervlakte permanente dekking ten opzichte van de totale veldoppervlakte.

0%

 

1-10%

 

11-20%

 

21-40%

 

41-60%

 

61-70%

 

71-80%

 

> 80%

in bos

> 80%

in hei, weide, akker

0

5

10

15

20

30

20

15

20

De waardering van veel dekking (>80%) is lager als de omgeving bestaat uit bos in plaats van weide, akkers of heide.

Oppervlakte weiden en akkers
De totale oppervlakte weiden en akkers wordt gewaardeerd, in punten, op basis van het percentage dat die oppervlakte is van de totale oppervlakte te waarderen gebied.

0%

1-4%

5-10%

11-20%

>> 20%

0 punten

2 punten

6 punten

10 punten

15 punten

Boomsoortenverdeling
De boomsoortenverdeling wordt gewaardeerd door punten te geven voor het type bos, vermenigvuldigd met het percentage oppervlak van dat type bos in de totale oppervlakte dekking, bestaande uit bos en brede houtwallen.

Dekking

Punten

Naaldbos zonder ondergroei

2

Naaldbos met ondergroei

6

Gemend bos zonder ondergroei

6

Gemengd bos met ondergroei

10

Loofbos zonder ondergroei

8

Loofbos met ondergroei

15

loofbos van 30-50% eik

15

loofbos van > 50% eik

20

Zuurgraad (pH) bodem
De waardering van de zuurgraad bestaat uit een waarde voor een zuurgraad maal het percentage van de oppervlakte met die zuurgraad van de totale oppervlakte te waarderen gebied.

>

pH 4,0

pH 4,0-4,9

pH 5,0-5,9

pH 6,0-6,9

> pH 6,9

4

8

12

16

20

Biologisch toelaatbare reeëndichtheid per 100 hectare dekking in bos-en natuurgebieden
Na het optellen van de punten is in onderstaande tabel af te lezen welke de mogelijke dichtheid per 100 ha dekking voor het betreffende terrein is, gebaseerd op het uitgevoerde onderzoek.

Punten

0-25

26-30

31-35

36-40

41-50

51-60

61-70

71-80

81-100

Aantal reeën

0

2

4

6

8

9

10

11

12

Biologisch toelaatbare reeëndichtheid per 100 hectare dekking in cultuurlandschappen, zoals geadviseerd.
Uit praktijkgegevens, blijkt dat met name in landbouwgebieden de actuele aantallen reeën hoger kunnen liggen dan de berekende dichtheid zonder dat belangen noemenswaard worden geschaad. Daarom is voor cultuurlandschappen de puntentelling iets aangepast (zie onder). Klimaatverandering speelt hierin mogelijk ook een rol. In de winter is er meer voedsel aanwezig dan vroeger, waardoor er meer reeën in bepaalde terreinen kunnen overleven.

Punten

0-25

26-30

31-35

36-40

41-50

51-60

61-70

71-80

81-100

Aantal reeën

0

3

5

7

9

11

12

13

15

Voor grootschalige bos- en natuurgebieden zonder een substantieel aandeel voor reeën te gebruiken landbouwgronden, blijft de oude puntentelling van toepassing.

Veldreeën
De waarderingsmethode Van Haaften blijkt niet goed toepasbaar voor veldreeën die leven in gebieden met weinig permanente dekking. In dit soort situaties is het dus niet goed mogelijk om vooraf een goede indicatie te hebben van een gewenste stand. Deze stand zal proefondervindelijk moeten worden vastgesteld. Hiervoor zijn de conditie van de reeën (dierenwelzijn), de mate waarin door reeën schade wordt veroorzaakt aan landbouwgewassen (economische schade) en aanrijdingen met reeën (verkeersveiligheid) bepalend.

In gebieden met veldreeën is het dus zaak om in eerste instantie op het oog de conditie van de levende dieren vast te stellen (al dan geen vuile spiegel), slachtoffers van wildaanrijdingen te registreren, de schade aan landbouwgewassen in beeld te brengen en het aantal dood gevonden reeën vast te leggen. Zodra er aanleiding is om over te gaan tot afschot, moeten vanzelfsprekend het lichaamsgewicht of het conditieproduct van de geschoten dier worden vastgelegd.

Aanbevolen wordt om onderzoek te laten verrichten naar een biotoop waarderingsmethode (naar analogie van die van Van Haaften) voor de open landbouwgebieden in het noorden van het land.

Edelhert en damhert
Correctie van de gewenste reeënstand voor de aanwezigheid van edelhert en of damhert kan in situaties met lage dichtheden (<5 per 100 ha) achterwege blijven. In situaties met hoge dichtheden kan correctie noodzakelijk zijn. Hiervoor wordt verwezen naar de expertise van de Vereniging Wildbeheer Veluwe.

Meten van geschoten reeën
De gewichten van de geschoten dieren moeten consequent worden genoteerd (met één cijfer achter de komma) en dit altijd in relatie met het wildmerknummer, datum afschot en leeftijd. Een handzame unster, die tot 25 kg gaat, is onontbeerlijk.

Voorbeeld van gewenste informatie dode reeën:

  < 1 jaar 1 – 2 jaar > 2 jaar Gewicht
Datum Wildmerk reegeit reebok smalree jaarling geit bok in Kg
01/02/07 RW 1720 x           9,2
11/02/07 RW 1721   x            8,1
15/02/07 RW 1722          x   15,8
 20/02/07 RW 1723    x         12,3
 08/05/07 RW 1746        x     12,0
 18/05/07  RW 1747        x     11,9
 01/08/07  RW 1748            x 16,3

Bij de uitwerking op WBE niveau van de gemiddelde gewichten per leeftijdscategorie is het raadzaam bij de kalveren de gemiddelden per maand te berekenen. Dit omdat het gewicht van de kalveren aan grotere schommelingen onderhevig is dan bij volwassen dieren (verschil in gewicht begin en eind afschotperiode.

Bij de uitwerking van de gemiddelde gewichten van reebokken is het raadzaam een onderverdeling te maken van gemiddelde gewichten voor en na de bronst. Immers, tijdens de bronst verliest de bok het nodige aan gewicht. Hiermee wordt ook direct duidelijk dat uitwerking van deze gegevens niet goed mogelijk is wanneer de datum van het afschot niet bekend is.