Zoeken
Met de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet zijn reeën niet meer aangemerkt als grofwild. Daarmee is de verantwoordelijkheid van de jachthouder voor de instandhouding van deze diersoort vervallen. Het actief beheren van de populatie reeën door ze te doden is nu alleen nog mogelijk op basis van een provinciale ontheffing of aanwijzing. Zij zijn daardoor nog meer als voorheen beschermd. De wettelijk verantwoordelijkheid voor het beheer en de schade ten gevolge van reeën ligt bij de overheid. Zij bepaalt of en zo ja hoe er invloed wordt uitgeoefend op beschermde diersoorten, waaronder het ree.

Voor het beheer van soorten en de bestrijding van schade stellen provincies faunabeleid vast. De uitvoering van dat beleid gaat op basis van faunabeheerplannen.

Gedeputeerde Staten (GS) kunnen het beheren van de populatie reeën toestaan. Dat doen zij op basis van bijzondere vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen, artikelen 67 en 68 van de Flora- en faunawet. Dat kan alleen worden toegestaan in aan één gesloten gebieden van ten minste 5 000 hectare op basis van een voor die gronden geldig faunabeheerplan. De eisen aan het faunabeheerplan vragen aan uitvoerders van dat plan een gedegen onderbouwing van de maatregelen.

De gegevens voor de faunabeheerplannen komt vooral uit gegevens verzameld door grondeigenaren en faunabeheerders.

Het ree is binnen een eeuw van nagenoeg vogelvrij beest tot door regels beschermde diersoort geworden.

Met de komst van de jachtwet van 1954 werden nieuwe bepalingen vastgesteld inzake de jacht en regelingen getroffen met betrekking tot schade door wild en het behoud van met name genoemde wilde diersoorten, het wild, in Nederland. Opening en sluiting van de jacht werden, in overleg met de jachtraad, centraal geregeld en het jachtfonds werd ingesteld.

Na het inwerking treden van de Jachtwet, per 15 juni 1955, werden de regels voor beheer van de reeënpopulatie verder uitgewerkt. Zo werden de bepalingen van het gebruik van wapens en munitie (21-6-1955) als het wildmerkensysteem (12-1-1956), in overleg met jagers, ontwikkeld. Daarna werd de jacht op reeën - in overleg met de jachtraad - gesloten en werd, in 1956, overgegaan tot een vergunningstelsel en een daarbij horend merkensysteem.

Inmiddels is het ree en het beheer van het ree omringd door wetten en regelgeving. Zo wordt het ree genoemd in de Flora- en faunawet (2004). En zijn er regels gesteld aan het gebruik van wapens en munitie bij het doden van reeën. Bovendien wordt het omgaan met al dan niet dode reeën geregeld in de vorm van hygiëne voorschriften.

  • Het ree wordt beschermd door vermelding in tabel 1 van de Flora- en faunawet (2004)
  • Op de Rode Lijst Nederlandse zoogdieren (1994) is het ree aangemerkt als; niet bedreigd.
  • Het ree wordt in de Conventie van Bern (1982): bijlage 3 genoemd
  • De leefomgeving van het ree wordt niet specifiek vermeld in de Habitatrichtlijn (1992)

Om de Wet goed te begrijpen, is het wenselijk enigszins bekend te zijn met de geschiedenis. Het hier in vogelvlucht geschiedkundige resumé, behandelt de voornaamste wettelijke bepalingen op het gebied van de jacht op grofwild vanaf 1814.

Jagt en Visscherij d.d. 11 juli 1814 no. 29
De voorloper van de regelingen op het gebied van de jacht, was de wet houdende bepalingen op het stuk der Jagt en Visscherij.
Het jagen op grofwild (herten, reeën en hinden) is zonder een speciale permissie verboden. Verbodsbepalingen zoals het jagen op zon- en feestdagen en gedurende de periode tussen zonsondergang en zonsopgang waren toen ook al van kracht. Het openen van de jacht zal 'door den Opperhoutvester, in overleg met de provinciale staten worden geregeld'. De secretarissen van Staat voor de Binnenlandse Zaken en voor Financiën werden belast met de uitvoering van de wet. U ziet, ten aanzien van de inhoud is er in de nieuwe Flora- en Faunawet niet veel veranderd, met uitzondering van het feit dat in de Jachtwet van 1814 voor een geschoten wolf ƒ 25,- en voor een wolvin ƒ 30,- werd betaald.

Jagtwet d.d. 6 maart 1852 no. 47
Jagtwet van 6 maart 1852 no.47 bevat wat nadere uitwerkingen van de wet van 1814 en gaat ook wat verder met soortenbeschrijving. Gedeputeerde Staten dienen jaarlijks de openings- en sluitingstijden te bepalen. De Commissaris der Koningin in de provincie doet daarvan aankondiging, ten minste acht dagen voor de opening en sluiting. Tevens werd bepaald 'naar mate de wildstand of plaatselijke omstandigheden zulks vereisen, of de jacht op enige wildsoort niet geopend dan wel beperkt moet worden' en hoeveel stuks grofwild van het mannelijk of vrouwelijk geslacht en hoeveel hazen op één dag, door één jager en bij drijfjachten door alle jagers tezamen mogen worden geschoten. De wolven worden niet meer vermeld maar voor een geschoten moervos werd ƒ 1,50 betaald. Ideaal was dat de Minister van Binnenlandse Zaken de bevoegdheid werd gegeven om 'jagt en visscherij-opzieners' aan te stellen en te ontslaan. Dit gold ook om in het belang van de grondeigenaren onbezoldigde opzieners aan te stellen en te ontslaan. Van alle opgelegde boeten kwam tweederde in 's Rijks schatkist terecht en éénderde aan het fonds 'tot onderstand van bejaarde en gebrekkige Jagt- en Visscherij-opzieners, hun weduwen en wezen'. Aan de jachtopzichters kan een premie worden toegekend voor elke bekeuring, door een veroordeling gevolgd. (Bijna analoog aan de huidige verkeerswet overtredingen. Hoe meer PV's des te groter de promotiekans!)

Jagtwet d.d. 13 juni 1857 no. 87
Een herziening van de voorgaande wet waarbij vooral de strafmaatregelen tegen overtredingen
nader zijn uitgewerkt, alsmede een verbod 'tot het houden van klopjachten op grofwild'.
Daarna volgen een reeks wetswijzigingen en -aanvullingen. Zo werd bijvoorbeeld bij wet van 14 juli 1904 no. 148 het gebruik van kunstlicht verboden.
Bij wet van 6 oktober 1908 no. 311 wordt 'de jagt en de visscherij' gescheiden.
Vijf Koninklijke Hoogheden hebben - na gemeenschappelijk overleg met de Staten Generaal, van Jagtwet tot Flora- en Faunawet - al deze wetten goedgevonden en verstaan, te weten: Willem, Emma, Wilhelmina, Juliana en Beatrix.

Jachtwet d.d. 2 juli 1923 stb. 381
In deze wetswijziging werden wettelijke bepalingen in het belang van de landbouw vooropgesteld, ter voorkoming van wildschade. De heerlijke jachtrechten kwamen te vervallen. De provinciale wildschadecommissies deden hun intrede.

In de Jachtbepaling 1939 is bepaald dat de jacht is geopend:

 

Alle provincies,
m.u.v. Groningen/Friesland

Groningen/Friesland

reebokken

van 29 jul 1939 t/m 19 aug 1939
van 14 okt 1939 t/m 11 nov 1939

van 14 okt 1939 t/m 11 nov 1939

reegeiten

van 14 okt 1939 t/m 11 nov 1939

van 14 okt 1939 t/m 11 nov 1939

en op reekalveren (reeën die in de loop van het kalenderjaar zijn geboren) in de gemeenten Vorden, Warnsveld en Gorssel van 14 oktober 1939 tot en met 11 november 1939. Reekalveren jagen is in de rest van Nederland in 1939 verboden.

Tot het inwerking treden van de jachtwet 1954 (15-6-1955) was de laatste beschikking met betrekking tot de opening en sluiting van de jacht nog van kracht. Daarin was bepaald dat de jacht op reebokken werd geopend vanaf 25 juli 1955 tot 11 augustus 1955.

Jachtwet d.d. 3 november 1954 stb. 523
Het doel van deze wet was om nieuwe bepalingen vast te stellen inzake de jacht en regelingen te treffen met betrekking tot schade door wild en het behoud van de wildstand. Opening en sluiting van de jacht werden - gehoord de jachtraad - centraal geregeld en het jachtfonds werd ingesteld.

Na het inwerking treden van de Jachtwet per 15 juni 1955 werden maatregelen getroffen, die een goed functionerend beheer van onder andere de reeën populatie beoogden. Zowel de bepalingen van het gebruik van wapens en munitie (21-6-1955) als het zogenaamde wildmerkensysteem (12-1-1956) werden in overleg met een aantal vooraanstaande grofwildjagers ingevoerd.
Daarna werd de jacht op reeën - in overleg met de jachtraad - niet meer geopend en werd in 1956 overgegaan tot een vergunningstelsel en een daarbij horend merkensysteem. Vanuit de toenmalige directie Faunabeheer werd besloten, dat ervan moest worden uitgegaan dat het verantwoorde beheer van reeën slechts kon plaats vinden door een planmatige en gecoördineerde aanpak. Jachtwet d.d. 8 juni 1977 stb. 387
Deze wetswijziging werd het jachtexamen ingevoerd en bij Koninklijk Besluit van 8 maart 1978 werden de eisen waaraan het jachtexamen moest voldoen, gepubliceerd. Door het volgen van de cursus jachtopleiding werd de kandidaat voor het examen het nodige bijgebracht, zodat de beginnende jagers al redelijke kennis over het wild inclusief reeën kregen. De geslaagde kandidaat zal echter ontdekken dat dat niet voldoende is.

Flora- en Faunawet d.d. 25 mei 1998 (Ltb. 1998, 402)
Deze wet treedt in de plaats van de Jachtwet 1954, de Vogelwet 1936, de Wet Bedreigde Uitheemse Dier- en Plantensoorten en hoofdstuk 5 van de Natuurbeschermingswet (resterende plant- en diersoorten). De Flora- en Faunawet bevat eigenlijk een samenhangend stelsel van regels voor de bescherming van inheemse en uitheemse dier- en plantsoorten.
Deze wet is een zogenaamde raamwet. Dit betekent dat een aantal zaken zijn geregeld bij Algemeen Maatregel van Bestuur (AMvB) en door Ministeriële Beschikkingen (M.B.'s). De kern van de Flora- en Faunawet bestaat uit een stelsel van verbodsbepalingen.
Deze bepalingen zijn erop gericht om te voorkomen dat handelingen plaatsvinden die sommige dier- en plantensoorten zouden kunnen bedreigen. In de wet worden grootheden genoemd als intrinsieke waarde, meer soorten onder bescherming, geen uitoefening van de jacht in bepaalde natuurgebieden en decentralisatie van bevoegdheden.

Bron: Capreolus, Auteur: (voormalig hoofdambtenaar van Directie Faunabeheer van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij , red.)

In de Flora en Faunawet is opgesomd waaraan middelen om reeën te doden moeten voldoen. Onderscheid wordt gemaakt in jagen op wild of doden van andere in het wild levende diersoorten.

  1. Geweren voor het doden van dieren en munitie voor deze geweren voldoen aan het tweede tot en met twaalfde lid.
  2. Een geweer wordt slechts gebruikt door personen die in bezit zijn van een geldige jachtakte.
  3. Een geweer heeft een gladde loop met een kaliber van ten minste 24 en ten hoogste 12 of een getrokken loop met een nominaal kaliber van ten minste .22 inch of 5,58 millimeter.
  4. Een enkelloops hagelgeweer heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten.
  5. Een kogelgeweer heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten, tenzij het is voorzien van een grendelinrichting waarmee het wapen handmatig schot voor schot wordt geladen.
  6. Een geweer is niet voorzien van een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om ’s-nachts te schieten.

Er wordt bij het doden van dieren met geweren geen gebruik gemaakt van hagel: waarvan de korrelgrootte een doorsnede van 3,5 millimeter overschrijdt, of die metallisch lood bevat.

Er wordt bij het doden van dieren met geweren geen gebruik gemaakt van militaire kogelpatronen, met inbegrip van fosfor- of lichtspoorpatronen, noch van kogelpatronen die niet vervormen bij het treffen.

Geweren worden niet gebruikt:

  1. voor zonsopgang en na zonsondergang, met dien verstande dat wilde eenden waarop de jacht is geopend ook mogen worden gedood gedurende een half uur voor zonsopgang  en een half uur na zonsondergang,
  2. in de bebouwde kommen der gemeenten en in de onmiddellijk aan die kommen grenzende terreinen
  3. binnen de afpalingskring van een geregistreerde eendenkooi, en
  4. vanuit vliegtuigen, rijdende motorvoertuigen of varende vaartuigen.

Edelherten, damherten, en wilde zwijnen worden slechts gedood:

  1. op gronden waarvoor een faunabeheerplan geldt voor ten minste 5 000 hectare;
  2. met geweren met ten minste één getrokken loop, en
  3. met kogelpatronen van een kaliber van ten minste 6,5 millimeter voor getrokken loop waarvan de (tref)energie ten minste 2200 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt.

Reeën worden slechts gedood:  op gronden waarvoor een faunabeheerplan geldt voor ten minste 5 000 hectare;

  1. met geweren met ten minste één getrokken loop,
  2. en met kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de (tref)energie ten minste 980 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt.
  3. Het tweede tot en met zesde lid en negende lid, onderdelen a en b, gelden niet voor het doden van huismussen en verwilderde rotsduiven met luchtdrukgeweren in gebouwen.

Bij de eerste beschikking (Staatscourant 1955, 118) omtrent het gebruik van wapens en munitie bij het afschot van Reeën, werden voorschriften gegeven waaraan het geweer en de munitie moesten voldoen om een voor het doden van een ree geoorloofd middel te worden. Men mocht alleen gebruik maken van geweren met ten minste één getrokken loop, voor zover daarin kogelpatronen werden gebruikt met een trefenergie van ten minste 100 kg/m op 100 meter afstand van de loopmond. Het kogelgeweer (getrokken loop) en kogelpatronen werden verplicht gesteld.

Voor de bovenvermelde datum mochten reeën ook worden geschoten met hagel die uit een gladde loop (hagelloop) afgevuurd kon worden. Als overgangsregeling werd in speciale gevallen (grienden etc.) voor de verplichting tot het gebruik van een geweer met een getrokken loop, ontheffing verleend. Daardoor was het mogelijk om een lodenkogel te verschieten, die de hagellading verving, de loodprop, geleverd door de firma Brenneke, werden Brennekes genoemd.

Tot 31 maart 1964 bleef het mogelijk om een ontheffing te krijgen voor het doden van een ree met de Brennekes loodprop. Sindsdien is alleen de kogel vanuit een geweer, met een getrokken loop en een trefenergie van 980 joule op 100 meter toegestaan. Daar is met de aanpassing van de jachtwet in 1976 nog het minimum kaliber 5,6 mm aan toegevoegd.

Datum: 13 maart 2016
Aanvang: 12.00 uur
Locatie: Koningsweg 35, Arnhem – IPC terrein

EINDE JACHT!
2016
Voor iedereen die de jacht en populatiebeheer een warm hart toedraagt!

Jaarlijkse bijeenkomst van diverse experts en jachthoornblazers uit de jachtwereld die geheel belangeloos hun kennis, ervaring en kunnen met u willen delen. Een middagvullend programma waar, tussen de demonstraties en de workshops door, het wild wordt doodgeblazen.

Op zondag 13 maart 2016 is er, voor de vierde keer, Einde Jacht! voor jagers, boeren en andere buitenlui, om het jachtseizoen op een gezellige en informatieve manier af te sluiten.

2013:     10 standhouders – 80 bezoekers
2014:     15 standhouders – 220 bezoekers
2015:     22 standhouders – 450+ bezoekers
2016:     30+ standhouders - ??? bezoekers

Zoveel aandacht als er is voor de start van het jachtseizoen, zo weinig aandacht is er voor het einde daarvan. Daarom is Einde Jacht! een mooi moment om de laatste eer te bewijzen aan al het geschoten wild en even stil te staan bij de voorbije jachtdagen.

Op de vorige locatie groeide de bijeenkomst Eind Jacht een beetje uit haar jasje. Daarom zijn de deelnemers heel blij dat voor dit jaar IPC Groene Ruimte gastheer wil zijn!

Een greep uit het programma:

  • Eduard van Adrichem met onder andere vliegvissen
  • Vereniging het Edelhert
  • Schietbioscoop
  • Kenniscentrum Reeën
  • 2de hands kledingmarkt
  • Het uitbenen van een ree
  • Demonstratie prepareren
  • Messen scherpen en scherp houden
  • Ganzenborsten roken
  • Boogschieten
  • Demonstraties veldonderhoud
  • Geldersch Landschap

Bezoek ook onze Facebook pagina Einde Jacht en vindt ons leuk om op de hoogte te blijven van de laatste ontwikkelingen.

Voor meer informatie: Persbericht Einde Jacht 2016
Reinier Broeks
T:06 – 1061 4396
@:reinier@broeks.org
FB: Einde Jacht