Als je tot de conclusie komt dat je de populatie reeën wilt beïnvloeden doe je dat op basis van;

  1. de huidige populatie
  2. de ontwikkeling
  3. de gewenste populatie

Dat is de basis om inzicht hebben op het effect van de invloed die je uitoefent. Natuurlijk kun je de boel de boel laten en maatregelen te kust en te keur nemen. Dan is echter invloed uitoefenen op die maatregelen veel moeilijker te onderbouwen.

Afbeelding: Reeënsprong

Het tellen van reeën is een belangrijke meting voor het beheer. De waargenomen reeën zijn echter niet alle reeën die in dat gebied leven. Het is bekend dat hierbij grove fouten worden gemaakt, die variëren tussen 30 en 300 %. (J.Poutsma, e.a.)

Het hoogste aantal getelde dieren moet als minimum grote van de populatie worden beschouwd. In 2009 onderzocht Alterra inventarisaties van damherten en reeën. Van de diverse methoden die zij heeft onderzocht zijn de tellingen met telploegen vanuit mobiele dan wel vaste uitkijkposten het meest effectief gebleken en relatief goedkoop ten opzichte van meer geavanceerde inventarisaties.

De resultaten van reeëntellingen kunnen worden beschouwd als de meest betrouwbare waarden voor het minste aantal reeën, in een bepaald gebied, op een bepaald moment. De uitkomsten van de tellingen geven pas na deskundige analyse van de omstandigheden tijdens de telling en de resultaten van meerder tellingen een inzicht in de populatie reeën. Willen we naast de populatie ook inzicht hebben in welzijn van de reeën is Wegen en meten aan reeën nodig.

Geen van de onderwerpen die een rol spelen in het beheer van reeën zijn keihard. Het leven met de natuur roept veel vragen op. Om iet te kunnen bereiken doen we aannames. Aannames zijn zo goed mogelijk onderbouwde uitgangspunten. Het zijn geen onomstotelijk bewezen feiten. Bijvoorbeeld het aantal reeën die in een gebied leven, het aantal is steeds onder invloed van voortplanten en sterfte.

Een aanname kan beginnen met een gok en gaande het proces een aanname worden en als feiten bekend worden. Je denkt dat ergens reeën leven. Je gaat daar kijken en je ziet regelmatig reeën. Het is echter pas een feit als het in een vergelijkbare situatie ook zo gaat als aangenomen. In de praktijk noemen we bewezen aannames ervaring.

De ervaring leert bijvoorbeeld dat een reebok vaak een gewei draagt. Maar het komt voor dat de reebok geen gewei draagt. Het feit is dan dat een ree vaak maar niet altijd een gewei draagt. Dat kan niemand ontkennen.

Dat is heel anders met het beoordelen van de huidige leefomstandigheden voor reeën, de draagkracht. De methode van Haaften helpt daarbij het meest gedetailleerd. Met feiten heeft hij aangetoond dat er een zeker aantal reeën in een natuurgebied kan leven onder bepaalde omstandigheden. Later heeft hij gemerkt dat zijn methode niet optimaal was en heeft hij het element rust daar aan toegevoegd. Die door de toepassing van zijn methode, in het minder natuurlijke Nederland, essentieel bleek. Met de methode van Haaften inclusief de factor rust is de huidige situatie te schetsen. Een vereenvoudigde vorm van die methode is Het model Achterhoek waarbij de omstandigheden die van Haaften beoordeelt zijn teruggebracht tot drie te beoordelen leefomstandigheden;voedsel, rust en dekking. Dat vraagt dus plantenkennis en kennis van leefgewoonten van het ree. Je moet als het ware als het ree de leefomgeving beoordelen.
Door de ogen van het ree kijken.

Nog moeilijker wordt het met het schatten van het werkelijk aantal reeën, de populatie.
Maar het dat ervaring tot iemand anders bewijst dat het een feit is. Dat is geen conclusie vanuit de jachtwereld maar vanuit wetenschappelijk onderzoek. Daar hebben we uitvoerders en doeners in de natuur mee te maken. Dit is volgens mij de kern van duurzaam beheren.Het bijtellen van percentages is iets wat deskundigen doen over het totaal op basis van percentages die naar voren zijn gekomen uit controle velden waar serieus met gegevens wordt omgegaan.

Het gaat over leefomgeving en verhouding bokken en geiten in een natuurlijke omgeving met predatoren in vergelijking met nagebootste natuurlijke omgeving met bosbeheerders, verkeer en andere invloeden waaronder de mens als predator.

En nu de praktijk.

Het is dus beter de correcties toe te passen maar te zorgen dat je dit steeds beter kan onderbouwen. Dat betekent samenwerken met andere deskundigen op dit gebied en daar horen volgens mij ook de mensen uit het veld bij. Zij willen daar graag door hun ‘clubs’ bij geholpen worden.

Nergens in dit geval is Faunabescherming partij tenzij, en dat doen ze voortdurend, de vergunningverleners en –houders niet aantonen hun stinkende best te doen beter en beter te worden. Want in dat laatste geval worden zij steeds minder partij.

Wat te doen bij de telling?

Schrap het corrigeren door jachthouders. Laat door de jachthouders en andere partijen, los van de telling, opgeven wat zij denken dat in hun beheergebied aan reeën zit! Laat hen dat voor de telling al opschrijven, vertel wat je daar mee doet; het vaststellen van het correctie percentage. Dan is manipuleren van de telling niet nodig. Ik ken mensen die verkondigen en pushen niet de juiste gegevens op te geven. Naar 5 jaar hoeven zij dat blijkbaar niet meer te doen. Dat blijkt uit de getallen. Negeer hen.

Doe de correcties op beheereenheden niveau op de tellingen. Opgave jagers zou overeen moeten komen met telling + correctie. Voeg op een hoger niveau een percentage toe voor ziek, zwak misselijk en valwild voor verlofhouders en incidentele gevallen. Zorg dat je het gebruik van die ‘zwevende’ loodjes inzichtelijk krijgt en houd.

Aanname (op basis mijn ervaring met bio-monitoring en later toegepast in onze WBE): Het effect van opgave velden vergelijken met telling en het afschot baseren op de opgave van de velden is dat de geleidelijke toename van de stand steeds minder wordt, de stand de draagkracht bereikt, we het proces goed kennen, excessen in tellingen en beheer voor de jagers en eventueel de belangenvertegenwoordiger duidelijk wordt. De gegevens worden op beheereenheid niveau verstrekt aan vergunningverlener. Let erop dat registatiesystemen niet zonder jouw opdracht\wens de regie over gaan nemen door één-tweetjes met FBE en vergunningverlener. Excessen worden binnen de eenheid opgelost.

Doe wat met de kwaliteit van de reeënpopulatie.

Als we veel sterke maar jonge reeën hebben is dat een teken dat de reewilddichtheid/stand wel goed zit maar de verdeling in leeftijd nu onze aandacht moet krijgen. Dat lijdt ik af uit resultaten uit visserijkundig onderzoek. De voorjaarsstand is waarschijnlijk hoger dan de draagkracht door het hoge percentage vrouwelijk reewild. Daardoor is er nog steeds groei zowel in levende als te schieten reeën. Als de kwaliteit van die jonge reeën niet goed is is de draagkracht ruim overschreden. Zo niet dan is draagkracht te hoog geraamd en iets in de berekening niet meegenomen. In het oorspronkelijke model van Haaften is dat de factor Rust. Elke jager weet dat als in een perfect gebied geen reeën zitten er gepost moet worden op stropers en struiners in welke vorm dan ook!!

In ieder geval is het in jullie zaak de verhouding in afschot bokken geiten te veranderen, beloon (afschot) meewerkende jagers.

Niet minder bokken maar wel meer geiten. Na enkele jaren kom je dan in de situatie met een voorjaarsstand met een betere verhouding bokken en geiten. Bij ons was dat al naar twee jaar. Het meer afschot is gerealiseerd in de valwild velden of daar onmiddellijk naast. Ook velden zonder draagkracht die wel actief meedoen kregen afschot. En vervolgens kan, dat gaat bijna vanzelf, gewerkt worden naar de optimale dichtheid. Gevolg gezonde reeën.

Wat is het doel van het afschot; afschot. De reewild dichtheid is ondanks het afschot niet in gevaar! Tenzij het afschot op basis van een te hoge raming is vastgesteld. In dat geval nemen de getelde reeën af of het afschot wordt nooit gerealiseerd. Beide redenen om het afschot bij te stellen tenzij afname gewenst is. Als je in dat stadium komt komen de meeste jagers in de problemen en zal Faunabescherming zich nog meer als nu moeten richten op de vergunningverlener zoals zij bijvoorbeeld in Gelderland doen. Dan komt er geld voor de tellingen, de spiegels, ecoducten of andere maatregelen.

Dit is natuurlijk olie op het vuurtje van anti-afschot. Het is de vraag of Faunabescherming dat is. Want waar moeten de gevangen reeën heen? Andere natuurgebieden? Hertenkampen? Slachthuis? Welk ree moet blijven welk niet? Vang je wel alle reeën zijn die die je niet vangt het gevolg van het vangen ne dus geen natuurlijke populatie?

Ik denk dat zij zeggen dat zij niet zijn van de oplossingen maar van de kritiek, dat zij niet pretenderen alles te weten maar dat zij wel kunnen zien dat de huidige werkwijze niet goed genoeg is. Ik denk dat ze daar gelijk aan hebben. Maar daar kun je met bovenstaande aantoonbaar aan werken! Enigste probleem, we gaan niet terug kijken. We gaan het vanaf nu beter doen met gezond verstand van zaken. De ontwikkeling van reën in Nederland laat zien dat het huidige beheer van reeën in Nederland en de provincies laat zien dat we het in totaal niet slecht doen maar dat het op punten beter kan.

Ik ben hier niet ingegaan op het organiseren van bovenstaande. Daar kan ik nog zo’n bericht aan wijden.

Aan jullie de nobele taak om hier iets mee te doen of niet.

Met vriendelijke groet,

Herzo van der Wal