Kenniscentrum Reeën
Afbeelding: Reeënsprong; Foto: Dick Pasman


Als in een bepaald gebied de reeëndichtheid hoog is, komen de mensen met de dieren in 'aanraking'. In aanraking komen met reeën kan zijn veel reeën zien, een wildaanrijding krijgen met een ree of faunaschade hebben.

Met name als er sprake is van schade willen we graag weten:

  • Hoeveel reeën zitten daar?
  • Welke geslachtsverhouding is er?
  • Zijn de reeën gezond
  • Hoe oud zijn die reeën?


Deze vragen zijn onder andere van belang om te schatten wat de reeëndichtheid zal worden. Deze schatting is van belang om maatregelen te kunnen nemen en te verantwoorden. In tegenstelling wat leken bewerken weten de mensen uit de praktijk al heel veel van reeën. Helaas zijn maar weinig mensen bereid die kennis tot zich te nemen en nog minder mensen in staat de kennis in de praktijk op te doen.

Onder maatregelen vallen ook het anders inrichten van de leefomgeving en het reduceren van het aantal reeën. De beheerders tellen daarom samen met andere liefhebbers de reeën. Tegenwoordig zijn die mensen vrijwel allemaal verenigd in wildbeheereenheden. Jaarlijks worden er per wildbeheereenheid faunatellingen gehouden. Onder die fauna vallen de reeën.

Het tellen van reeën is een belangrijke meting voor het beheer. De getelde, waargenomen reeën zijn echter niet alle reeën die in dat gebied leven. Het is bekend dat hierbij grote fouten worden gemaakt, die variërden tussen 30 en 300%. (J.Poutsma, e.a.)

De waarde van de individuele tellingen neemt enorm toe als we de tellingen ieder jaar op dezelfde manier uitvoeren. Daarom organiseren natuurorganisaties zoals wildbeheereenheden tellingen onder begeleiding van deskundigen en onderzoekers. Zij kiezen gezamenlijk datums, telformulieren, trekken tellers aan en geven instructie om de tellingen met elkaar te kunnen vergelijken. Tegelijkertijd wordt vastgesteld of en hoe de methodiek verder verbeterd kan worden.

Laat u niet weerhouden om uw telling zo zorgvuldig en volledig mogelijk op dezelfde wijze uit te blijven voeren. Verbeter uw methode wel als dat mogelijk is. De conclusies hadden namelijk niet kunnen worden getrokken als u of uw voorgangers niet, honderdduizenden uren, aan vrijwillig reeën-observeren hadden besteed. Uiteindelijk heeft het er toe geleid dat er manieren zijn gekomen om ook in minder toegankelijke plaatsen, de ontwikkeling in het aantal reeën vast te kunnen stellen.

Dat we reeëntellen is leuk en nuttig, zolang we maar beseffen dat de methodiek ook al is deze vergevorderd, slechts een schatting is van het minimum aantal dieren en alleen een indicatie is van de trend in de ontwikkeling mits een zeker aantal keren herhaald. Dat kost tijd, jaren, zo niet decennia!

Daarom is het goed om het hele jaar door de reeën waar te nemen en die waarnemingen te betrekken bij het verbeteren van de telmethode(n) en het beheer. Dat begint met de voorjaarstellingen, in de protocollen is sprake van minstens drie telrondes, deze kunnen, samen, gebruikt worden om het minimum aantal reeën dat, op het moment van tellen, in het gebied leeft te schatten, mits je uitsluit dat er niet dubbel wordt geteld en rekening houdt met seizoensinvloeden. Dat voldoende kunnen borgen is sterk afhankelijk van lokale omstandigheden. Je kunt daarbij denken aan voldoende vaardige tellers, gebiedskennis en omstandigheden waaronder de dieren zich laten zien.

Een aanvulling op de zo verzamelde gegevens van de voorjaarstellingen geven de 'jaarrondtellingen'. Mits dit zo veel mogelijk op dezelfde manier wordt gedaan ontstaan vergelijkbare gegevens. Daardoor ontstaan er gegevens die bruikbaar zijn op lokaal niveau. Er kunnen echter zeker geen seizoen- en slechts bij zeer gedisciplineerd toepassen van de methode gebied overstijgende conclusies uit de resultaten worden getrokken.

De meest efficiënte periode om de telling te doen is eind maart of begin april. De reeën laten zich, over het algemeen, in het voorjaar goed zien. De reeën staan dan in sprongen bij elkaar, warmen zich in de zon en schakelen om van houtachtig voedsel naar de sappige jonge planten op akkers, weiden en slootranden.

Men denkt op basis van tellingen met redelijke zekerheid het juiste aantal reeën te kennen. Op basis van ervaringen van 20 jaar landelijk reeëntellen via de wildbeheereenheden en de steeds maar toenemende reeëndichtheid in Nederland is inmiddels wel duidelijk geworden dat reeëntellingen niet zo nauwkeurig zijn. Veel factoren bepalen de getelde reeën.

Afbeelding: Faunatellen vanuit boot

Tellen in de natuur is een momentopname. De voorjaarstellingen geven geen beeld van het werkelijke aantal reeën maar van het minimum aantal reeën. De tellingen kunnen daarom slechts als indicatie voor de ontwikkeling van het aantal reeën worden gebruikt. Een schatting van het werkelijk aantal reeën op basis van zo'n telling is altijd in twijfel te trekken.

Dat wordt bevestigd door de huidige gegevens. We kunnen inderdaad zeggen dat de hoeveelheid reeën in Nederland is toegenomen. Dat kan omdat al gedurende veertig jaar tellingen de basis vormen voor reeënbeheer. Door deze reeks van tellingen worden de invloeden op de resultaten verkleind. We kunnen nog steeds niet nauwkeuriger dan met een marge van 25% het aantal reeën schatten.

In hoofdlijnen helpen de diverse telprotocollen de beheerders en waarnemers van reeën, zo verantwoord mogelijk, gegevens over reeën te verzamelen. Die gegevens kan men met de logistische groeicurve vergelijken om zo de fase in de populatie-ontwikkeling vast te stellen.

Er is echter meer mogelijk. Lees daarvoor de overwegingen onder Telmethode.

Om een indruk te krijgen van het aantal reeën en hoe zij gedurende het jaar een bepaald gebied gebruiken registreer je gedurende het jaar waar en hoeveel reeën er zijn gezien en van die reeën het geslacht en de leeftijdscategorie. Daardoor krijg je een goed beeld van de reeën, het gebruik van het gebied door reeën en hoe de reeëndichtheid in de zomer en winter is. Na een jaar ontstaat een beeld van de verspreiding en het aantal reeën in het gebied. Dat is niet meer dan een raming. Na enige jaren zie je vaak dat het opgegeven aantal reeën aangepast wordt. Enerzijds door beter inzicht en anderzijds omdat de aantallen reeën stijgen en dalen.

Het is onjuist om aan te nemen dat een gebied een leefgebied is als daar door bijvoorbeeld de groei van planten alleen in de zomer reeën leven. Dan is dat gebied hoogst waarschijnlijk onderdeel van een groter leefgebied van die reeën. Andersom klopt het ook niet dat alleen uitgegaan wordt van de dekking in de winter. Dan zou de dichtheid onnatuurlijk laag worden gehouden. Het is daarom belangrijk dat grensoverschrijdend tellingen worden gehouden.

Bij de jaarrondtelling en het daarvan afleiden van het aantal aanwezige reeën dient rekening te worden gehouden met de aanwas en sterfte die in de loop van het jaar plaatsvind.

Het komt ook voor dat er steeds meer of steeds minder reeën worden geregistreerd. Dan is er sprake van een trend. Die trend is veel beter te bepalen door de telling in te richten als een steekproef. Dat is een telling die steeds op hetzelfde moment en op dezelfde manier wordt uitgevoerd. Het is leuk dat te doen als er veel reeën te zien zijn en de invloeden van buitenaf zo klein mogelijk zijn. Dat is in het vroege voorjaar, maart-april. Die reeëntelling noemen we daarom de voorjaarstelling.

De jaarrondtelling geeft ten opzichte van de voorjaarstelling een veel betere indruk van het gedrag van de reeën en het gebruik en de omvang van het leefgebied.

Het doel van jaarrond- en voorjaarstelling is het schatten van het aantal reeën dat in het volgende seizoen zal worden geboren en op basis daarvan het beheer af te stemmen met elkaar.

Zowel voor de jaarrondtelling als voor de voorjaarstelling wordt hetzelfde telformulier gebruikt. We hebben steeds dezelfde informatie nodig n.l.:

  • Op welke dag zag ik reeën
  • Hoe laat zag ik deze,
  • Waar zag ik die reeën
  • Wat was het geslacht per ree (reebok, reegeit)
  • Wat was de leeftijd categorie per ree (kalf, ouder)
  • Welke bijzonderheden zag je (vachtkleur, geweivorm of conditie)

Verwerken telgegevens voorjaarstelling
We willen een zo betrouwbaar mogelijke uitspraak doen over de voorkomende reeën. Het is daarom gebruikelijk dat de tellers de tellingen met elkaar doornemen zowel binnen de telploeg als tussen telploegen. Eerst halen we zij de reeën die dubbel geteld zijn door! Dat kan al tijdens de telling en bij de volgende telling door de waarnemingen en tellingen met elkaar te vergelijken.

Dat doen zij op basis van bijvoorbeeld samenstelling van de groep, locatie van de waarneming, vachtkleur, enzovoorts. Bij twijfel zal een waarneming op dezelfde plaats als dubbeltelling doorgehaald moeten worden.

In de voorbeelden zijn de meeste reeën geteld en aangesproken op de eerste avondtelling in de morgentelling zijn ook andere reeën geteld.

Vervolgens bepalen we van iedere telling voor bok, reebokkalf, geit en reegeitkalf het totaal en tellen die totalen bij elkaar op. Daardoor wordt de totaalscore voor het telgebied gekregen, bijvoorbeeld telgebied A.

Verwerken telgegevens jaarrondtelling
Bij de jaarrond telling is er veel meer risico op het dubbel, twee keer, tellen van dezelfde reeën. Het identificeren van, dezelfde, reeën is bovendien niet eenvoudig omdat de reeën gedurende het jaar van plek en verschijning veranderen. Ook hier is het afstemmen met de tellers in aangrenzende gebieden van groot belang.

De verwerking van de gegevens na het doorhalen van in dit geval vaak veel meer dubbelingen gelijk aan de voorjaarstelling.

Hieronder voorbeelden van telformulieren voor twee dagen tellen en het totaalresultaat van het verwerken. Reeën die vermoedelijk dubbel zijn geteld komen één keer in totaaloverzicht.

Telformulier voorjaarstelling dag 1 reeëntelling telgebied A

locatie datum tijdstip bok bokkalf geit geitkalf onbekend totaal
 a 3/04/07 06.55     1   3  
b  
 
07.02   1 2 1   1
 c   07.12  
 
3 1 1    
f   07.28 1   1    
 
2
g  
 

 
 
 
 
 
1    
 
1
totaal dag 1    
 
1 0 2 1 0 4

Telformulier voorjaarstelling dag 2 reeëntelling telgebied A

locatie datum tijdstip bok bokkalf geit geitkalf onbekend totaal
 a 2/04/07 19.30 1 1 1 1   4
 b   19.45 2 1 2     5
 c   20.15   3 1 1 1 6
 d   20.30     2 2   4
totaal dag 2     3 5 6 4 1 19

Let op: De dubbeltellingen zijn doorgestreept.
Totaal voorjaarstelling (dag 1 + 2)

locatie datum tijdstip bok bokkalf geit geitkalf onbekend totaal
Totaal
gebied A
     4 5 8 5 1 23