Kenniscentrum Reeën

Er is veel onderzoek naar reeën. Onder andere hoe bepaal je de leeftijd van een ree en hoe oud kan een ree worden?

Er zijn gegevens over reeën die in gevangenschap zijn gehouden en over reeën in het wild. In gevangenschap is 25 jaar de hoogste leeftijd die een ree heeft bereikt. De oudste reebok in het wild is ruim 17 jaar geworden en de oudste reegeit 16,5 jaar. Beide werden geschoten. Dat betekent dat zij nog ouder hadden kunnen worden. In het wild kon men dit vast stellen door de als reekalf gemerkte reeën hun leven lang te volgen.

De leeftijd van dode reeën wordt geschat op basis van de gebitsslijtage. Bij reeën die ouder zijn dan 10 jaar is de gebitsslijtage meestal zodanig dat gedacht wordt dat reeën meestal niet veel ouder worden dan 10 jaar. Door het langer laten leven en volgen van dergelijke reeën zullen we daar mogelijk een beter beeld van krijgen.

De geschatte gemiddelde leeftijd van reeën is 2,5 jaar. Dat is aanzienlijk lager dan de maximum leeftijd. Dat wordt veroorzaakt door de hoge sterfte onder reeën in de eerste levensjaren.

De leeftijd bepalen van een ree en het op basis daarvan classificeren van het ree in jong, volwassen of oud is belangrijk om een beeld van de reeën populatie te krijgen.

Het is onmogelijk om alleen op basis van het gewei van het ree de leeftijd te bepalen. De bouw van het gewei is namelijk sterk afhankelijk van factoren in de omgeving van het ree. Het reeëngewei zonder rozen is van een reebokje dat nog niet eerder een gewei heeft gehad. Dit kan voorkomen tot een leeftijd van anderhalf jaar.

Nadat we geweien van reebokken in gebied langer observeren zien we dat de lengte van de stangen toe neemt, tot de reebok vier- a vijf jaar is. Daarna worden de stangen, met het ouder worden van het ree, korter. Het volume van het gewei neemt daarbij echter nauwelijks af. Dit noemen we terugzetten. Dit terugzetten van het gewei heeft betrekking op de lengte van het gewei dus niet op de massa. De basis van het gewei, de rozen en stangen, blijven in omvang namelijk wel groeien. Daardoor is de indruk dat oudere bokken een groter gewei hebben. Maar de schijn bedriegt de massa neemt toe maar de lengte neemt af. Anders geschreven de verhouding lengte staat tot dikte van het gewei verschuift van lang naar dik. De oudere bok heeft op latere leeftijd een korter en maar zwaarder gewei dan deze had in jonge jaren.

Voorwaarde is wel dat de condities waaronder het gewei groeit jaar op jaar hetzelfde zijn. Zoals bijvoorbeeld in een dierentuin, een geïsoleerd gebied of een wildpark. Op indrukwekkende wijze heeft hertog Albrecht van Bayern aangetoond dat er een relatie is tussen de grootte en massa van het gewei in relatie tot het biotoop ten tijde van het bouwen van vetreserves in najaar en winter. ( "Über rehe", A.u.J.v. Bayern)

De conclusie luidt: De grootte en de massa van het gewei wordt in eerste instantie door erfelijke aanleg bepaald maar komt alleen tot volle omvang als de leefomgeving van de bok optimaal is. Het gevolg is dat een bok met een goede erfelijke aanleg in een slechte leefomgeving nooit een 'kapitale reebok' zal worden. Zonder gericht beheer op het verbeteren van de leefomstandigheden is er dus weinig kans dat de goede erfelijke aanleg zichtbaar wordt. Waarbij hetzelfde ree op rijke grond een veel zwaarder en groter gewei krijgt als op arme zandgrond.

In een habitat ontstaat de meest optimale situatie als de populatie reeën onder tot gelijk is aan de draagkracht van die leefomgeving. Als er bovendien rust is ten tijde van opname van winterreserves (september - december) en groei van het gewei (november - maart) is er een grote kans dat een gewei uitgroeit tot een 'kapitaal' reeëngewei.